ADHD-gen ontdekt bij kinderen

Koreaanse biomedici hebben een genetische variant ontdekt die een rol lijkt te spelen bij het ontstaan van ADHD. Acht op de tien aangedane kinderen zouden deze variant in hun DNA bij zich dragen, tegen minder dan één op de tien gezonde leeftijdgenoten.

De wetenschappers bekeken bijna vierhonderd kinderen, van wie de helft ADHD had. Hun verdenking ging uit naar één gen: GIT1. Dit gen is betrokken bij de overdracht van signalen tussen zenuwcellen. De Koreanen stuitten op acht versies van het gen. Eén van die versies verdubbelde ruim de kans op ADHD, meldden de deskundigen gisteren in het vakblad Nature Medicine.

Om de oorzakelijke rol van de verdachte DNA-variant verder te bewijzen, kweekten de Koreanen muizen die ermee belast waren. De helft van deze dieren ging kort na de geboorte dood. De muizen die in leven bleven, waren twee keer zo druk als normaal. Ze hadden ook leer- en geheugenproblemen, net als kinderen met ADHD. De dieren kwamen van hun klachten af met ADHD-medicijnen. Eenmaal volwassen groeiden ze er overheen, net als de meeste mensen.

De Koreanen stellen dat ze een heuse ‘ADHD-muis’ hebben ontwikkeld: een nieuw onderzoeksmodel. Maar hebben ze ook dé oorzaak van ADHD blootgelegd? “Nee, daarvoor verhoogt hun DNA-variant de kans op de aandoening bij mensen te weinig”, reageert Jan Buitelaar, hoogleraar psychiatrie en ADHD-kenner in het UMC St Radboud in Nijmegen. “Je ziet niet voor niets dat ook gezonde kinderen deze variant bij zich dragen.”

De ontdekking past volgens de hoogleraar wel mooi in het beeld dat wetenschappers tegenwoordig over ADHD hebben. Er lijken tientallen veel vóórkomende genetische varianten te bestaan die elk de kans op ADHD licht verhogen. Hoe meer van die varianten een kind bij zich draagt, des te groter het risico. In theorie kunnen er ook mutaties bestaan die vrijwel altijd tot ADHD leiden, maar die zijn waarschijnlijk uiterst zeldzaam.

Na diverse grote genetische studies die bij kinderen met ADHD gedaan zijn, zit de wetenschap nu opgezadeld met zo’n 85 genen die ‘iets’ met ADHD te maken hebben. Maar wat precies?

De Nijmeegse promovendus Geert Poelmans heeft geprobeerd daar helderheid over te krijgen. In het American Journal of Psychiatry van deze maand veegt hij alle kennis bij elkaar. Hij concludeert dat 45 van de 85 genen een rol spelen bij de aanleg van de hersenen. Ze regelen de uitgroei van zenuwuitlopers en de vorming van netwerken tussen zenuwcellen. Ze bepalen kortom de bedrading in het brein, en daarmee de mogelijkheden voor interne communicatie.

Hoogleraar Buitelaar: “Vijftig jaar lang heeft de wetenschap vooral gekeken naar boodschapperstofjes waarmee zenuwcellen communiceren. Dat heeft wel wat opgeleverd, waaronder de huidige geneesmiddelen voor psychische aandoeningen. Maar we denken nu dat we het meer moeten zoeken in de aanleg van netwerken in het brein.” Het is de vraag of dit inzicht zal leiden tot meer begrip voor de gedragsstoornis. “Sommige mensen vinden ADHD sowieso flauwekul. De drukte van een kind hangt volgens hen vooral af van sociale omstandigheden. Wij zeggen dat ADHD in de netwerken van het brein zit, maar we kunnen het niet op een scan aanwijzen. Dat blijft voorlopig een probleem.”

Bron: Trouw.nl 18/04/2011

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.