Het speuren naar nieuwe verklaringen

Psychologen hanteren de DSM-IV als leidraad in het stellen van een diagnose.  De DSM is in 1952 voor het eerst verschenen (DSM-I) om orde te scheppen in de chaos binnen de psychiatrie waarin klachten en symptomen vaag, complex en onsamenhangend waren. Tevens waren er geen eenduidige ‘afspraken’ over de ziektebeelden bij bepaalde stoornissen.  Continu heeft een werkgroep bekeken of er zaken herzien moeten worden. Inmiddels is de DSM-IV-TR in Nederland de meest recente uitgave. In 2012 wordt de DSM-V verwacht welke een aantal zeer ingrijpende veranderingen heeft, zoals het opnemen van dimensionale beoordelingen voor depressie, angst en cognitieve achteruitgang en stoornissen in het realiteitsbewustzijn. Andere belangrijke veranderingen zijn het verdwijnen van de diagnose Schizoaffectieve type (Deze valt straks onder de dimensionale beoordeling van schizofrenie) en tevens zal de genderidentiteitsstoornis onder een andere naam en onder een andere groep terugkomen in de DSM-V. Ook zullen er nieuwe aandoeningen toegevoegd worden in een soort van bijlage.

Binnen het vakgebied Kinder- en Jeugdpsychiatrie zijn al velen onderzoekers bezig bepaalde gedragingen onder een nieuwe noemer te krijgen, omdat huidige indelingen op de DSM-IV-TR tekort schieten. Zo blijkt uit jarenlange onderzoek dat de diagnose PDD-NOS te ruim is en dat er nog enkele subcategorieën te ontdekken zijn zoals Multiple-complex Developmental Disorder (McDD). Tevens vindt Rourke dat de Non-verbale Learning Disorder hoort binnen de leerstoornissen. Binnen het vakgebied zijn er vele voorstanders van deze diagnosen, maar ook vele tegenstanders.

Wat veelal opvalt is dat ouders in de praktijk zich steeds meer inlezen en via google kunnen zij veel informatie vinden. Voor de psychologen en psychiaters betekent dit dat zij vaak extra overtuigend moeten zijn wanneer zij  niet mee willen gaan in deze diagnose beelden. Tevens zijn ouders steeds beter in staat en bereid om verder te gaan kijken wanneer de behandelaar niet mee wil in hun visie.  Er zal kort uiteengezet worden wat de voor- en tegenstanders vinden van McDD en NLD.

McDD is een sub-type van PDD-NOS en omschrijft kinderen met autistiform gedrag, maar ook met kenmerken zoals omschreven bij angststoornissen en schizofrenie. In onderstaande tabel  (met dank aan Prof. R. van der Gaag) geeft het verschil tussen PDD-NOS en McDD weer.

Op basis van deze omschrijven zegt men dat het verstandig is om McDD als een subtype van autisme op te nemen. Tevens blijkt dat een aan autisme verwante stoornis vaker voorkomt dan autisme en dat verder onderzoek naar de aan autisme verwante stoornissen wenselijk is.
Criticasters zeggen juist dat de diagnose aan autisme verwante stoornis, PDD-NOS of McDD niet uitmaakt, omdat het alleen binnen het autisme spectrum valt en de behandeling nagenoeg hetzelfde is, namelijk gericht op het geven van structuur, het voorkomen en dempen van de angsten en het bevorderen van de gezonde mogelijkheden en vaardigheden.

NLD kenmerkt zich door problemen van visuo-spatiële aard, problemen in rekenen, in de tactiel-perceptuele waarneming en Gestaltperceptie, psychomotorische stoornissen en evidente problemen in de sociaal-emotionele ontwikkeling. Er is echter zo weinig onderzoek gedaan naar gedegen diagnostische onderzoeksinstrumenten en de samenhang met andere sociaal-emotionele problematiek. Wanneer een diagnosticus enkele verschijnselen ziet, kan het op dit moment nog niet het specifieke beeld behorende bij NLD vaststellen door gebrek aan goede onderzoeksinstrumenten. Tevens geven criticasters aan dat het niet zo moet zijn dat problemen alleen in neuropsychologische termen beschreven dient te worden, maar dat de omgeving zeker ook een rol speelt.
De term NLD is een écht neuropsychologische term en wordt daarom niet in de DSM-V opgenomen.

Samenvattend, met de komst van de DSM kwam er meer overeenstemming tussen psychologen overal ter wereld. Toch blijven er vaak nog grote regionale verschillen zijn (autisme kom in Nederland 1 op de 2000 voor en in de VS 4 op de 2000!) en blijven onderzoekers onverzadigbaar wanneer bepaalde symptomen niet binnen een stoornis valt. Enerzijds is dit goed, omdat er zo altijd gekeken wordt of de diagnostiek niet beter kan, anderzijds worden er ziektebeelden bedacht die geen fundament hebben of nog niet te onderzoeken zijn terwijl er al wel veel informatie over te vinden is. Voorzichtigheid blijft dus altijd nog geboden in het vakgebied waarin al zoveel onduidelijkheden zijn!

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.