De WISC-V: een wereld van verschil?

vrijdag, november 9th, 2018 | Artikelen, Intelligentie, Onderzoeksmateriaal

Eindelijk is sinds begin 2018 de WISC-V-NL te koop in Nederland. En direct ontstond een discussie of de WISC-II NL meteen verbannen moest worden uit testkasten of dat we eerst moeten afwachten tot de kinderziekten er uit zijn of zelfs tot de COTAN de WISC-V-NL beoordeeld heeft.  Drs. Yaron Kaldenbach geeft in zijn nieuwsbrief van september 2017 de voor- en nadelen weer van snel overstappen, waarbij hij wel adviseert om nog 1-2 jaar te wachten. Zijn onderbouwing hierin is om wijzigingen van nog mogelijke fouten uit de handleiding of test af te wachten. Hier kon ik mij destijds goed in vinden, ondanks dat ik vanaf het begin dat de WISC-V ontwikkeld werd groot voorstander ben van het feit dat de WISC-V beter inzicht kan geven en ook zijn theoretische basis vindt in het CHC-model. Dit is een model waarbij intelligentie opgedeeld wordt in deelfactoren zoals ‘fluid intelligence’, ‘crystalized intelligence’ maar ook kwantitatieve kennis, verwerkingssnelheid en informatieverwerking (zone auditief als visueel). Je ziet dat naast de WISC-V-NL, de WAIS-IV-NL al richting CHC-model ging, maar ook de RAKIT-2 en de IDS.

Inmiddels ben ik zelf getraind door Pearson Academy in afname en interpretatie, ben ik gaan werken met de WISC-V-NL en supervisser ik menig IQ onderzoek middels de WISC-V-NL. Een eerste indruk is positief: bredere vaardigheden die gemeten worden, mooi testmateriaal, handig socringsprogramma, maar ook veel meer analyse-mogelijkheden. Veel subtesten doen ook echt meer beroep op probleemoplossende vaardigheden in plaats van het ‘crystalized intelligence’  en dus in mijn ogen meten ze meer intelligentie dan puur opgeslagen feiten.
Echter zullen we met z’n allen ook een enorme omslag in ons denken moeten maken. Er is immers geen sprake meer van disharmonische profielen of V-P kloven, maar ook zijn de indexen-scores opgebouwd uit 2 subtest scores (3 als je alle 14 subtesten afneemt, maar dan nog tellen er maar 2 mee) en is de naamgeving van de testscores anders dan de veelal gebruikte indeling van Resing en Blok (2002).
Wat betreft het verdwijnen van de disharmonische profielen blijven we wel werken met een sterkte-zwakte analyse maar noemen we het anders. Mijns inziens is dit een overbrugbaar verschil met de WISC-III-NL die ook niet heel ingewikkeld hoeft te zijn. Het andere verschilpunt van indexen die op 2 subtestscores gebaseerd zijn moeten we nu ook gewoon maar genoegen mee nemen, maar blijft wel ingewikkeld. Bij de WISC-III-NL werd snel bij de index Verwerkingssnelheid gezegd dat het ‘maar twee subtesten’ waren dus dat soms extra voorzichtigheid geboden was. In de praktijk denk ik dat we het argument dat het maar 2 subtesten betreft zullen gemakkelijker vergeten en naar de achtergrond schuiven naarmate de WISC-V-NL vaker wordt ingezet en gebruikt.

Wat betreft de naamgeving testscores ligt het denk ik toch ingewikkelder. Hoewel Pearson Academy een goed, bevlogen en onderbouwd betoog houdt om aan de nieuwe score indelingen en namen te houden, merk ikzelf tijdens het lezen van WISC-V-NL verslagen, maar ook in discussies met vakgenoten, grote verschillen. Allereerst is het goed om te noemen dat er voor wordt gepleit om niet meer ‘harde’ puntscores te noemen, maar om alleen de betrouwbaarheidsintervallen te gebruiken en dan bij voorkeur de 90% in plaats van de 95% betrouwbaarheidsintervallen. Nog een verandering, waar bij de WISC-III NL eigenlijk alleen de 95% betrouwbaarheidsintervallen gebruikt werden in de praktijk. Door 90% betrouwbaarheid te gebruiken wordt het interval weliswaar wat kleiner, maar neemt dus ook de foutmarge toe. Hoewel ik het denken in betrouwbaarheidsintervallen toejuich, maakt de voorgestelde naamgeving van Pearson het enorm onoverzichtelijk (nog los van het feit dat er verschillende officiële naamgevingslijstjes in omloop zijn, zie nieuwsbrief september 2018 van Kaldenbach). Even een klein voorbeeld: Een kind dat een betrouwbaarheidsscore (weliswaar 95% interval) haalt tussen de 113 en 131 noemen we dan hoog in het gemiddelde tot zeer hoog gebied. Wat zegt dit nu precies? Ik denk in de praktijk dat mensen toch een beetje middelen en dan rond de puntscore uit gaan komen. Daarnaast zie je da de termen hoog/laag in het gemiddelde tot discussie leidt en dat er synoniemen komen (hoog/laaggemiddeld) of toch vastgehouden wordt aan andere indelingen, waaronder Resing en Blok. Hierdoor wordt het voor ouders, maar ook andere zorgprofessionals inclusief scholen onoverzichtelijk wat een kind nu precies getest heeft.  En volgens mij worden de aangemelde kinderen juist getest zodat zijn of haar omgeving (zoals ouders en school) goed gaan snappen wat de sterke en minder sterke kanten zijn, maar andere naamgeving kan dan heel verwarrend zijn.

Al met al is de eerste indruk van de WISC-V-NL positief. De afname is denk ik zowel voor testleider als client prettiger en aangenamer. ‘We’ zullen echter wel massaal moeten gaan omschakelen wat betreft werken met de scores. Wordt vervolgd.

 

Referenties:
Resing, W.C.M. & Blok, J. (2002), De classificatie van intelligentiescores. De Psycholoog, 37 , 244-249.

Nog geen reacties.

Leave a comment

Categorieën

Archief