Pervasieve Ontwikkelingsstoornis

Autistisch kind ervaart dezelfde emoties als anderen

donderdag, maart 15th, 2018 | Nieuws, Pervasieve Ontwikkelingsstoornis | Geen reacties

Jonge kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS) ervaren dezelfde emoties als kinderen zonder autisme, maar zij reageren op een andere manier. Dit concludeert orthopedagoog Gemma Zantinge, die op dit onderwerp in februari is gepromoveerd aan de Universiteit Leiden.

Zantinge onderzocht kinderen met ASS in de voorschoolse leeftijd met instrumenten als eye-tracking en hartslagmetingen. De ervaren emoties van de kinderen wijken niet af van normale kinderen bij angstige en frustrerende situaties. Maar kinderen met ASS tonen wel ander gedrag en kiezen vaker voor niet-helpende strategieën om hun emoties te reguleren. Zij ventileren bijvoorbeeld minder hun emoties, vragen minder om hulp en geven eerder op. Voor een deel is dit te wijten aan problemen in de taalontwikkeling.

Het is belangrijk dat ouders en professionals zich ervan bewust zijn dat het waargenomen gedrag aan de buitenkant niet altijd overeenkomst met de emoties die het kind beleeft, zo schrijft Zantinge. Zij kunnen het kind helpen door bijvoorbeeld situaties te benoemen en suggesties te geven hoe het kan reageren. De voorschoolse periode is een periode waarin goed aan deze vaardigheden gewerkt kan worden.

Bron: Universiteit Leiden en NJI (d.d. 08-03-2018)

Meer ‘knooppunten’ in brein van jongeren met autisme

Jongeren met autisme hebben bijzonder veel knooppunten van zenuwcellen in hun hersenen, zo blijkt uit nieuw onderzoek. Normaal gesproken verdwijnt ruim de helft van deze zogenoemde synapsen aan het einde van de kindertijd door een proces dat pruning wordt genoemd. Bij jongeren met autisme wordt echter gemiddeld slechts 16 procent van deze hersenverbindingen ‘gesnoeid’. Dat melden onderzoekers van Columbia University in het wetenschappelijk tijdschrift Neuron. De wetenschappers bestudeerden de hersenen van dertien jongeren met autisme die waren overleden op een leeftijd tussen de 13 en 20 jaar. Ter vergelijking werd de hersenen onderzocht van twintig overleden jongeren die geen autisme hadden. Het verschil in het aantal synapsen aan het einde van de kindertijd was volgens hoofdonderzoeker David Sulver zeer opvallend. “Het is voor het eerst dat iemand een gebrek aan pruning heeft ontdekt tijdens de ontwikkeling van kinderen met autisme”, verklaart hij op de nieuwssite van Columbia University.   “Hoewel mensen meestal denken dat er nieuwe hersenverbindingen moeten worden gevormd als we iets leren, is de verwijdering van ongebruikte synapsen waarschijnlijk net zo belangrijk.” Veel synapsen in het brein van autistische jongeren blijven waarschijnlijk onaangetast, omdat een overactief eiwit met de naam mTOR het ‘snoeiproces’ verstoort. Uit onderzoeken bij muizen met een vorm autisme bleek dat pruning kan worden aangewakkerd door de dieren medicijnen toe te dienen die de aanmaak van mTOR onderdrukken. Veel autistisch gedrag van de dieren verdween als gevolg van de behandeling. Het is nog onduidelijk of een eenzelfde soort medicijn ook bij mensen zou kunnen werken. Maar de wetenschappers hopen dat een vergelijkbare behandeling ooit kan worden gebruikt om bepaalde symptomen van autisme te onderdrukken

 

bron: NU.nl d.d. 22-08-2014

Autisme is er in minstens twee vormen

Uit onderzoek blijkt dat er zeker twee vormen van autisme zijn die elk hun eigen oorzaak hebben.Onderzoeker David Amaral bestudeerde 350 kinderen met autisme en ontdekte zo dat de aandoening meerdere types kent. De resultaten werden gisteren tijdens de Asia Pacific Autism Conference gepresenteerd. Sommige kinderen met autisme blijken een afwijking te hebben in de groei van hun hersenen. Hun brein begint wanneer ze vier of vijf maanden oud zijn opvallend groot te worden. Wanneer ze achttien of 24 maanden oud zijn, beginnen ze symptomen van autisme te vertonen. Deze vorm van autisme bleek enkel voor te komen onder jongens. Andere kinderen hadden die afwijking niet, maar vertoonden in de eerste twaalf maanden van hun leven al symptomen van autisme. “De biologische oorzaak van autisme is bij deze kinderen waarschijnlijk heel anders dan bij de kinderen met een abnormale groei van het brein,” zo concludeert Amaral.“Het is absoluut duidelijk dat er verschillende subtypes van autisme zijn.” Amaral vermoedt dat dit nog maar een tipje van de ijsberg is en dat er nog veel meer soorten autisme ontdekt zullen worden. Hij benadrukt dat het opsporen van deze verschillende types heel belangrijk is. Alleen zo kan autisme effectief behandeld worden. Want elke vorm van autisme heeft een eigen oorzaak en vraagt dus om een andere behandeling.

Bron: www.scientias.nl

Kans op tweede kind met autisme groter dan gedacht

Uit een groot Amerikaans onderzoek onder broertjes en zusjes met een oudere broer of zus met autisme, is gebleken dat de kans op een tweede kind met autisme binnen het gezin groter is dan gedacht. Uit de studie is gebleken dat de kans gemiddeld 18 procent is, terwijl dit voorheen werd geschat op 3 tot 10 procent.
Het onderzoek aan de Universiteit van Californië is uitgevoerd onder 664 kinderen jonger dan 3 jaar, met een oudere broer of zus met autisme. De kinderen waren aan het begin van de studie tussen de zes en acht maanden oud.
Voor het testen van de kinderen werd een speciaal voor autisme ontwikkelde tool gebruikt, waarmee de nonverbale en de verbale communicatie werden gemeten, maar ook de motoriek.
Bij 132 van de 664 kinderen die aan het onderzoek deelnemen, werd op 3-jarige leeftijd een stoornis in het autistisch spectrum vastgesteld. Van deze 132 kinderen kregen er 54 de diagnose autisme. De overige 78 kinderen bleken een aan autisme verwante stoornis te hebben.
Dat deze studie een hogere risicofactor laat zien dan eerdere onderzoeken, komt volgens de onderzoekers omdat er bij dit onderzoek andere criteria zijn gehanteerd. In dit eerste grote onderzoek naar autisme onder broers en zussen, werden de kinderen al gevolgd voordat de eventuele diagnose werd gesteld.
Volgens de onderzoekers zijn genen een belangrijke factor bij autisme, maar spelen ook andere niet-genetische factoren een rol. Die factoren zijn echter nog niet uitgekristalliseerd. Uit het onderzoek bleek wel dat bij gezinnen waar meerdere oudere kinderen met autisme voorkomen, er een verhoogd risico van zelfs 32 procent is op een volgend kind met autisme. Ook lopen mannen ook groter risico dan vrouwen. Dit laatste is ook in andere studies aangetoond.

Bron: Gezondheidsnet.nl / BBC op balansdigitaal.nl

Omgeving speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van autisme.

Uit een nieuwe studie van Amerikaanse wetenschappers blijkt dat omgevingsfactoren een grotere rol spelen bij het ontstaan van autisme dan tot nu toe werd aangenomen. Dat meldt het Britse tijdschrift New Scientist op basis van een onderzoek aan de Universiteit van Stanford. Het blijkt dat slechts in 37% van de gevallen autisme kan worden toegeschreven aan genetische aanleg. Bij 55% wordt het waarschijnlijk veroorzaakt door omgevingsfactoren. Omgevingsfactoren zijn bijvoorbeeld de leefomgeving van mensen, de omstandigheden waaronder ze zijn geboren en eventuele infecties waaraan ze zijn blootgesteld.

De wetenschappers hebben 192 tweelingen (zowel eeneiige als twee-eiige) onderzocht. Bij alle tweelingen had tenminste een van de twee kinderen een vorm van autisme. Het blijkt relatief zeldzaam te zijn dat één kind van de twee-eiige tweeling autisme ontwikkelt en de andere niet. Omdat de genen van twee-eiige tweelingen voor de helft verschillen, zou verwacht mogen worden dat het vaker voorkomt dat één van de twee autisme ontwikkelt.OmgevingDat het bij tweelingen vaak voorkomt dat allebei de kinderen autisme hebben, suggereert dat omgevingsfactoren een erg belangrijke rol spelen bij het ontstaan van autisme. In de meeste gevallen delen de tweelingen namelijk hun omgeving. Ze worden blootgesteld aan dezelfde bacteriën, drinken dezelfde moedermelk en verblijven na hun geboorte vaak in hetzelfde ziekenhuis.

De resultaten van de studie zijn gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Archives of General Psychiatry.Voorbeelden van omgevingsfactorenIn hun studie noemen de onderzoekers enkele specifieke voorbeelden van omgevingsfactoren die van invloed kunnen zijn op het ontstaan van autisme: het verloop van de zwangerschap (infecties of niet), de leeftijd van de ouders en het geboortecijfer in de omgeving.

Bron: New Scientist op Balans Digitaal

ADHD en Autisme Spectrum Stoornissen hebben veel overlap

Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD) en Autisme Spectrum Stoornissen (ASS) worden in psychiatrische handboeken strikt van elkaar gescheiden. Pas de laatste jaren wordt duidelijk dat er overlap tussen beide aandoeningen is. Judith Nijmijer bracht deze overlap nader in kaart. Kinderen kunnen in de toekomst sneller één heldere (combinatie)diagnose krijgen. Dat scheelt frustratie en verwarring, zeker ook voor de ouders.

Voor haar proefschrift onderzocht Nijmeijer aard en oorsprong van ASS-symptomen bij kinderen met ADHD. Zij deed dat in een grote internationale databank met gegevens over kinderen met ADHD en hun familie. Kinderen met ADHD en hun broertjes en zusjes hebben meer ASS-symptomen dan gezonde controlekinderen, zo blijkt. Niet alleen hebben zij problemen in sociale interactie, maar ook communicatieproblemen en stereotype en rigide gedrag kwamen vaak voor. Ook blijkt dat broers en zussen op elkaar lijken wat betreft de ernst van de ASS symptomen.

De kans dat kinderen behalve ADHD ook ASS-symptomen hebben, is groter bij kinderen die bepaalde varianten van risicogenen hebben, maar alleen bij kinderen van wie de moeder rookte tijdens de zwangerschap, of die een laag geboortegewicht hadden. Deze bevindingen laten zien dat de interactie tussen genen en omgeving belangrijk is bij het ontstaan van ASS symptomen bij kinderen met ADHD.

Bron: Universiteit van Groningen, 31-5-2011

Test review: ADOS

ADOS

Informatie van de testuitgever
De ADOS is een semi-gestructureerde observatie, bedoeld voor het onderbouwen van een diagnose autisme of autismespectrumstoornis (ASS). Tijdens de afname lokt de onderzoeker sociaal, communicatief, stereotiep en spelgedrag uit om zo gedrag te kunnen observeren dat mogelijk wijst op autisme. Een afname bestaat uit een reeks activiteiten die volgens een protocol wordt uitgevoerd. Afhankelijk van de gekozen module kan dat variëren van fantasiespel met poppen en kiekeboe spelen met een jong kind tot het maken van een puzzel met abstracte figuren en een gesprek over emoties met een volwassene.  Met de ADOS classificatie en aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld het Autisme Diagnostisch Interview (ADI-R) kan de diagnose autisme of autisme spectrum stoornis worden gesteld en kan vastgesteld worden op welke gebieden er ontwikkelingsproblemen zijn. De ADOS kent vier modules. Afhankelijk van leeftijd en taalontwikkeling wordt een passende module gekozen:
Module 1 wordt gebruikt bij kinderen die niet of nauwelijks spreken. Deze module bevat vooral speelse activiteiten, zoals bellenblazen, kiekeboe spelen en fantasiespel met poppen. De afname van deze module duurt circa 30 minuten.
Module 2 wordt gebruikt bij kinderen die wel korte zinnetjes gebruiken maar nog geen vloeiend taalgebruik hebben. Deze module bevat vooral speelse activiteiten, zoals bellenblazen, kiekeboe spelen en fantasiespel met poppen. Daarnaast zijn er activiteiten zoals het beschrijven van een afbeelding en het vertellen van een verhaal uit een boek. De afname van deze module duurt circa 30 tot 45 minuten.
Module 3 wordt gebruikt bij kinderen en adolescenten met vloeiend taalgebruik. Naast doe-activiteiten zoals het maken van een puzzel en gezamenlijk interactief spel zijn er gesprekken over bijvoorbeeld emoties.  De afname van deze module duurt circa 60 minuten.
Module 4 wordt gebruikt bij adolescenten en volwassenen met vloeiend taalgebruik. Naast doe-activiteiten zoals het maken van een puzzel zijn er gesprekken over bijvoorbeeld vrienschap, eenzaamheid en toekomstverwachtingen.  De afname van deze module duurt circa 60 minuten.

De ADOS wordt uitgegeven door Hogrefe en kost €1772,00 excl. BTW.

Cotanbeoordeling

Geen beoordeling

Eigen ervaring:

Zelf heb ik eigenlijk niet gewerkt met de ADOS. Op mijn vorige werkplek was deze test wel aanwezig, maar ik heb er zelf niet wat uit afgenomen. Collega’s wel en zij waren te spreken over de test. Tevens ziet al het materiaal er fantastisch uit. Wanneer je net werkt met de test vraagt de test veel van je observatie- en registratie vermogen. Je moet op veel aspecten letten dus is het handig om goed te noteren of er een video van te maken. Het volgen van een training is noodzakelijk.

Robot helpt kinderen met ASS

Een 60 centimeter grote robot gaat kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS) helpen bij het leggen van sociale contacten. Kinderen met een autistische stoornis hebben vaak moeite met het voeren van gesprekken en het maken van contact. De robot kan kinderen hierbij helpen. Het apparaat kan lopen, liggen, vallen en opstaan, praten als een leeftijdgenoot en eenvoudige vragen stellen. Het treedt in werking als een kind door een infrarood signaal loopt.
De robot is ontwikkeld door de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) in samenwerking met Philips. Momenteel schrijven de ontwikkelaars samen met ASS-behandelaars programma’s voor de robot. In het najaar gaat het Dr Leo Kannerhuis, het expertisecentrum voor autisme, ermee werken. De TU/e bouwt ook een website voor gebruikers.
De robot heet voorlopig de Wikitherapist, maar als hij echt in gebruik is, mogen kinderen zelf een naam verzinnen.

Bron: ANP, dd 16-02-2011

Het speuren naar nieuwe verklaringen

Psychologen hanteren de DSM-IV als leidraad in het stellen van een diagnose.  De DSM is in 1952 voor het eerst verschenen (DSM-I) om orde te scheppen in de chaos binnen de psychiatrie waarin klachten en symptomen vaag, complex en onsamenhangend waren. Tevens waren er geen eenduidige ‘afspraken’ over de ziektebeelden bij bepaalde stoornissen.  Continu heeft een werkgroep bekeken of er zaken herzien moeten worden. Inmiddels is de DSM-IV-TR in Nederland de meest recente uitgave. In 2012 wordt de DSM-V verwacht welke een aantal zeer ingrijpende veranderingen heeft, zoals het opnemen van dimensionale beoordelingen voor depressie, angst en cognitieve achteruitgang en stoornissen in het realiteitsbewustzijn. Andere belangrijke veranderingen zijn het verdwijnen van de diagnose Schizoaffectieve type (Deze valt straks onder de dimensionale beoordeling van schizofrenie) en tevens zal de genderidentiteitsstoornis onder een andere naam en onder een andere groep terugkomen in de DSM-V. Ook zullen er nieuwe aandoeningen toegevoegd worden in een soort van bijlage.

Binnen het vakgebied Kinder- en Jeugdpsychiatrie zijn al velen onderzoekers bezig bepaalde gedragingen onder een nieuwe noemer te krijgen, omdat huidige indelingen op de DSM-IV-TR tekort schieten. Zo blijkt uit jarenlange onderzoek dat de diagnose PDD-NOS te ruim is en dat er nog enkele subcategorieën te ontdekken zijn zoals Multiple-complex Developmental Disorder (McDD). Tevens vindt Rourke dat de Non-verbale Learning Disorder hoort binnen de leerstoornissen. Binnen het vakgebied zijn er vele voorstanders van deze diagnosen, maar ook vele tegenstanders.

Wat veelal opvalt is dat ouders in de praktijk zich steeds meer inlezen en via google kunnen zij veel informatie vinden. Voor de psychologen en psychiaters betekent dit dat zij vaak extra overtuigend moeten zijn wanneer zij  niet mee willen gaan in deze diagnose beelden. Tevens zijn ouders steeds beter in staat en bereid om verder te gaan kijken wanneer de behandelaar niet mee wil in hun visie.  Er zal kort uiteengezet worden wat de voor- en tegenstanders vinden van McDD en NLD.

McDD is een sub-type van PDD-NOS en omschrijft kinderen met autistiform gedrag, maar ook met kenmerken zoals omschreven bij angststoornissen en schizofrenie. In onderstaande tabel  (met dank aan Prof. R. van der Gaag) geeft het verschil tussen PDD-NOS en McDD weer.

Op basis van deze omschrijven zegt men dat het verstandig is om McDD als een subtype van autisme op te nemen. Tevens blijkt dat een aan autisme verwante stoornis vaker voorkomt dan autisme en dat verder onderzoek naar de aan autisme verwante stoornissen wenselijk is.
Criticasters zeggen juist dat de diagnose aan autisme verwante stoornis, PDD-NOS of McDD niet uitmaakt, omdat het alleen binnen het autisme spectrum valt en de behandeling nagenoeg hetzelfde is, namelijk gericht op het geven van structuur, het voorkomen en dempen van de angsten en het bevorderen van de gezonde mogelijkheden en vaardigheden.

NLD kenmerkt zich door problemen van visuo-spatiële aard, problemen in rekenen, in de tactiel-perceptuele waarneming en Gestaltperceptie, psychomotorische stoornissen en evidente problemen in de sociaal-emotionele ontwikkeling. Er is echter zo weinig onderzoek gedaan naar gedegen diagnostische onderzoeksinstrumenten en de samenhang met andere sociaal-emotionele problematiek. Wanneer een diagnosticus enkele verschijnselen ziet, kan het op dit moment nog niet het specifieke beeld behorende bij NLD vaststellen door gebrek aan goede onderzoeksinstrumenten. Tevens geven criticasters aan dat het niet zo moet zijn dat problemen alleen in neuropsychologische termen beschreven dient te worden, maar dat de omgeving zeker ook een rol speelt.
De term NLD is een écht neuropsychologische term en wordt daarom niet in de DSM-V opgenomen.

Samenvattend, met de komst van de DSM kwam er meer overeenstemming tussen psychologen overal ter wereld. Toch blijven er vaak nog grote regionale verschillen zijn (autisme kom in Nederland 1 op de 2000 voor en in de VS 4 op de 2000!) en blijven onderzoekers onverzadigbaar wanneer bepaalde symptomen niet binnen een stoornis valt. Enerzijds is dit goed, omdat er zo altijd gekeken wordt of de diagnostiek niet beter kan, anderzijds worden er ziektebeelden bedacht die geen fundament hebben of nog niet te onderzoeken zijn terwijl er al wel veel informatie over te vinden is. Voorzichtigheid blijft dus altijd nog geboden in het vakgebied waarin al zoveel onduidelijkheden zijn!

Diagnostiek van Autisme Spectrum Stoornissen

donderdag, augustus 13th, 2009 | Algemeen, Artikelen, Pervasieve Ontwikkelingsstoornis | Geen reacties

Al jaren is men op zoek naar gedegen onderzoeksinstrumenten om diagnosen binnen het Autisme Spectrum vast te stellen.  Er zijn er dan ook al vele ontwikkeld voor zowel screening als handelingsgerichte diagnostiek zoals de PEP-R, CARS, DISCO, ADOS, ADI-R, ABC, AUTI-R, VISK, SEV, AVZ-R en zeer recent is de ESAT ontwikkeld. Bij het samenstellen van een goede testbatterij is het vaak lastig om de juiste testbatterij vast te stellen. Wat is autisme precies, welke instrumenten zijn er en welke diagnostiek is geschikt?

De term ‘autisme’ valt in Nederland terug te leiden naar 1937/38 en 1939/40, het Paedologische instituut van Nijmegen noemt de term vanaf dan voor het eerst in zijn jaarverslagen (Delfos, 2006).  Zij gebruiken de term voor kinderen die ‘buitensporig in zichzelf gekeerd zijn’. Al eerder werd de term ‘autisme’ ook al gebruikt door Leo Kanner en Hans Asperger, twee pioniers op dit vakgebied, evenals de Bleuler die in 1908 de term voor het eerst gebruikt. In de loop der tijd ontdekte men dat de kenmerken van autisme niet per definitie bij alle individuen voorkomen die de diagnose autisme hebben. In 1988 spreekt Lorna Wing dan ook als eerste over het autisme spectrum waarbinnen verschillende autisme spectrum stoornissen zich bevinden. In dit spectrum lopen de gedragingen van zwak naar sterk op de gebieden van: sociale interactie, sociale communicatie in verbaal en non-verbaal gedrag, verbeeldend vermogen, herhalend karakter van activiteiten, taal, respons op zintuigelijke prikkels en specifieke bekwaamheden (Wing, 1997). Deze gedragingen zijn terug te brengen tot drie gebieden, namelijk kwalitatieve beperking in sociale interacties, communicatie en beperkte, zich herhalende stereotype patronen van gedrag (Carr, 2006, Wing 1997, American Psychiatric Association (APA), 2002). Onder autisme spectrum stoornissen vallen Autisme, Stoornis van Rett, Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd, Stoornis van Aspeger en PDD-NOS (APA, 2002). In Nederland is er nog geen onderzoek gedaan naar de prevalentie (het voorkomen van) van autisme spectrum stoornissen, maar uit Engels onderzoek (2006) blijkt dat 1,19% van de Engelse bevolking een autisme spectrum stoornis heeft (Bron: website NVA, ww.nva.nl). Men mag aannemen dat ongeveer het zelfde percentage voor Nederland geldt. In de afgelopen jaren blijkt dat de prevalentie is toegenomen, een mogelijke verklaring hiervoor is de toegenomen bewustwording en de verbreding van de diagnostische afgrenzing van autisme (Schothorst, Van der Gaag, Stockmann & Westermann, 2008).

De onderzoeksinstrumenten die beschikbaar zijn zijn in te delen in screeningsvragenlijsten en classificatielijsten. Uit onderzoek van het NVVP blijkt dat er geen definitieve ‘test’ is waarmee een autisme stoornis mee kan worden aangetoond. Belangrijk is dat er een uitgebreide anamnese wordt gedaan, aangevuld met onderzoek. Het NVVP doet dan ook als aanbeveling om eerst de problemen met ouders c.q. leerkrachten in kaart te brengen middels screeningsvragenlijsten, vervolgens besluiten of er verdere diagnostiek nodig is (Schothorst e.a., 2005). Hieronder een overzicht van de instrumenten welke in de richtlijnen voor “autisme bij kinderen en jeugdigen” zijn opgenomen (Schothorst e.a., 2005).

Vragenlijsten:

  • ASEBA (2000), deze brengt de probleemgebieden in kaart en kan ingevuld worden door ouders, leerkrachten en kinderen tussen de 11 en 18 jaar oud.
    Voordeel: internationaal geaccepteerd, accurate informatie over internaliserende en externaliserende stoornissen en deze lijsten kunnen goed de comorbiditeit in kaart brengen.
    Nadeel: weinig informatie over de Autisme spectrum stoornissen.
  • Vragenlijst Sociale Communicatie (SCQ, 2004), wordt ingevuld door ouders van kinderen vanaf 4 jaar.
    Voordeel: Afgeleid van de ADI-R die een hoge betrouwbaarheid heeft.
    Nadeel: het is geen diagnostisch instrument waardoor er geen onderscheidt wordt gemaakt tussen autisme en PDD-NOS, kinderen met leerproblemen kunnen ook boven de grensscore scoren.
  • AVZ-R (2004), classificatie PDD alleen bij verstandelijke beperking, Kalenderleeftijd 2-70 jaar
    Voordeel: Goede screener voor PDD bij mensen met een verstandelijke beperking, hoge sensitiviteit.
    Nadeel: alge specificiteit.

Classificatie:

  • VISK (2002), Brengt PDD-NOS in kaart, geen classificatie, Kalenderleeftijd 4-18 jaar.
    Voordeel: relatief makkelijk in te vullen en uitstekend te gebruiken in gesprekken met leerkrachten.
    Nadeel:weinig differentiatie in de normen, geen normen voor volwassenen, leerkrachten en kinderen met een verstandelijke beperking.
  • CARS (1980/1988)
    Voordeel: Snel, eenvoudig en goed bruikbaar bij kinderen van 2 t/m 18 jaar
    Nadeel: meer screenend.
  • AUTI-R (1991)
    Nadeel: invullen en berekening is ingewikkeld
  • DISCO (2002), In kaart brengen ontwikkelingsgeschiedenis en huidig gedragspatroon, alle leeftijden en niveaus.
    Voordeel:systematisch informatie verzamelen van iemands ontwikkelingsgeschiedenis en het huidige gedragspatroon.
    Nadeel: arbeidsintensief, weinig wetenschappelijk onderzoek mee gedaan, er zijn geen cut-offscores en is niet gericht op het geven van een diagnose.
  • ADI-R (2003), Classificatie AS v.s. non-AS, ontwikkelingsleeftijd vanaf 2;0 jaar
    Voordeel: hoge specificiteit, geschikt voor onderscheidt ASS en kinderen met ernstige receptieve taalstoornis.
    Nadeel: tijdrovend, training vereist, lage sensitiviteit
  • ADOS, Classificatie AS, PDD-NOS en non-AS bij kinderen, adolescenten en volwassenen.
    Voordeel: betrouwbaar en valide.
    Nadeel: diagnose is niet gelijk aan klinische diagnose.
  • SRS (2005)
    Voordeel:geschikt voor identificeren en in kaart brengen van problemen

Het NVvP concludeert aan de hand van eigen onderzoek dat uitgebreider onderzoek het best gedaan kan worden met de ADI-R en ADOS.

Een screeningslijst die hierboven nog niet besproken is, is de ESAT, dit is een screeningsvragenlijst voor autisme voor kinderen tussen de 0 en 3 jaar oud. De ESAT is ontwikkeld om een eerdere diagnose mogelijk te maken. Een voordeel hiervan is dat ouders zich eerder gehoord voelen en er nog eerder hulp kan komen om een zo’n optimaal mogelijke ontwikkeling te bewerkstelligen. Mijns inziens zit er ook een groot nadeel aan, omdat ieder mens rond 1,5 jaar een soort van autistische fase heeft. Daarom is het vaststellen van autisme met mensen met een ontwikkelingsleeftijd jonger dan 2,5 jaar ook lastig. Er wordt onvoldoende gedifferentieerd op die leeftijd. Bij vermoedens van autisme bij kinderen jonger dan 3 jaar kan de ESAT uitkomst bieden, maar voorzichtigheid blijft geboden!

Tot slot, mijn eigen masterthesis betrof de diagnostiek van autisme. Samen met mijn mede-onderzoekster hebben wij onderzoek gedaan naar het voorkomen van een autisme spectrum stoornis bij kinderen met een verstandelijke beperking en de samenhang van verschillende autisme classificatie instrumenten. Wij hebben onderzoek gedaan bij 24 kinderen met een ontwikkelingsleeftijd van 20 (de kalenderleeftijd varieerde van de 101 tot 126 maanden) en we hadden een groep 23 kinderen met een gemiddelde ontwikkelingsleeftijd van 33 maanden (de kalenderleeftijd varieerde van 120 tot 134 maanden).  Middels deze twee groepen hebben we onderscheidt gemaakt in de mate van verstandelijke beperking (lichte tot matige beperking v.s. diepe tot ernstige verstandelijke beperking). We hebben de SEV, AUTI-R, AVZ-R en de PEP-R gebruikt. Onze conclusie was dat er weinig tot geen samenhang tussen de verschillende autisme classificatie instrumenten waren bij de populatie ‘diepe tot ernstige verstandelijk beperking’, dit betekent dat een kind op de ene lijst wel een diagnose krijgt en op de andere lijst niet. Bij de populatie ‘lichte tot matige verstandelijke beperking’ werden hogere samenhangen gevonden. Uit dit onderzoek kan niet geconcludeerd worden of de verschillende autisme classificatie instrumenten gezamelijk gebruikt kunnen worden voor de diagnostiek van autisme spectrum stoornissen, het is dan mogelijk dat er een inconsistent diagnostisch beeld ontstaat.

Literatuur:

  • American Psychiatric Association (2002). Beknopte handleiding bij diagnostische criteria van de DSM-IV-TR. Lisse: Swets & Zeitlinger.
  • Carr, A. (2006). The handbook of child and adolescent clinical psychology: A contextual approach (2nd ed.). London: Routlegde.
  • Delfos, M.F. (2006). Een vreemde wereld. Over autisme, het syndroom van Asperger en PDD-NOS. Voor ouders, partners, hulpverleners, en de mensen zelf (6e druk). Amsterdam: SWP.
  • NVA, http://www.nva.nl, bezocht op 13-08-2009
  • Schothorst, P.F., e.a., (2005). NVvP: Richtlijnen voor “autisme bij kinderen en jeugdigen”. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Schothorst, P.F., Van der Gaag, R.J., Stockmann, A.P.A.M., & Westerman, G.M.A. (2008). Richtlijn autisme en aanverwante contactstoornissen. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie.
  • Wing, L. (1997), The relation bet-ween Asperger’s syndrome and Kanner’s autism. In: U. Frith (Ed.). Autism and Asperger syndrome-. Cambridge: Cambridge University Press 37-92.

Categorieën

Archief