Ouders en andere geinteresseerden

Neurofeedback voor adolescente jongens geen aanvullende waarde

Uit onderzoek blijkt dat neurofeedback geen aanvullende waarde heeft op de huidige standaardbehandeling -medicatie en/of gedragstherapie- bij adolescenten met ADHD. Is het mogelijk om gedrag te verbeteren door het trainen van hersenen met behulp van neurofeedback bij adolescenten met ADHD? Neurofeedback is een niet-farmacologische interventie die wordt aangeboden met als doel ADHD-klachten te verminderen. In het huidige onderzoek is de aanvullende waarde van neurofeedback op de huidige standaardbehandeling -medicatie en/of gedragstherapie- bij adolescenten met ADHD onderzocht.

Voor het onderzoek zijn bij meerdere GGz instellingen (GGzE, GGz Breburg and de Reinier van Arkel Groep) mannelijke adolescenten (12-24 jaar) met een diagnose ADHD geworven. Door middel van loting zijn de adolescenten verdeeld om al dan niet neurofeedback te krijgen. Voorgaande studies indiceren dat in vergelijking met jongeren zonder ADHD, jongeren met ADHD relatief meer ‘langzamere’ hersenengolven (theta) laten zien en minder ‘snellere’ hersengolven (SMR). Deze hersengolven kunnen beiden gerelateerd worden aan aandacht. Het doel van de training was daarom om de theta activiteit te verminderen en de SMR activiteit te stimuleren, in ongeveer 37 trainingssessies van 30 minuten. Na de trainingsperiode werden de 45 adolescenten die neurofeedback kregen vergeleken met 26 adolescenten die de training niet kregen.

Er is geen aanvullende waarde van neurofeedback gevonden op gedrag of cognitie bij adolescenten met ADHD. De adolescenten die neurofeedback kregen waren na de trainingsperiode evenveel op gedragsvragenlijsten en cognitieve taken verbeterd als de adolescenten die de training niet als aanvulling op de standaardbehandeling hadden gekregen. De huidige resultaten ondersteunen daarmee niet het gebruik van theta/SMR neurofeedback als aanvullende behandeling op standaardbehandeling om blijvende verbeteringen in gedrag of cognitie van adolescenten met ADHD te bewerkstelligen. Deze multicenter studie is een samenwerking tussen de GGzE en Tranzo/Tilburg University.
Het project wordt gefinancierd door ZonMw.

bron: website Tilburg University

Sociale media hebben voor- en nadelen op school

Sociale media bieden nieuwe kansen voor het onderwijs, maar kunnen ook leiden tot cyberpesten. Dat schrijft minister Marja van Bijsterveldt van Onderwijs in de jaarlijkse Kamerbrief over veiligheid in het onderwijs.De brief is gebaseerd op de landelijke socialeveiligheidsmonitoren in het onderwijs en op onderzoek van de Onderwijsinspectie. Sociale media bieden kansen voor laagdrempelig contact tussen leerlingen en docenten. Docenten kunnen bijvoorbeeld via Twitter vragen over huiswerk delen met de hele groep. Sociale media hebben echter ook een keerzijde. Zo wordt ongeveer 4 procent van de 9- tot 16-jarigen herhaaldelijk via internet gepest.Positief is dat volgens de Kamerbrief ruim 90 procent van de leerlingen en personeelsleden op basisscholen, middelbare scholen en in het mbo zich veilig voelt. Ook nemen spijbelen, wapenbezit, drugsgebruik en geweld verder af binnen het mbo, blijkt uit de onderzoeken.

Bron: Nieuwsbrief NJI d.d. 23-05-2012

Van ADHD’er tot junkie

Meer geld binnenhalen voor onderzoek naar verslaving onder jongeren, veroorzaakt door ADHD. Dat is wat de stichting ICASA wil bereiken met de nieuwe crowdfunding-campagne ‘Maak je ook druk om verslaving bij ADHD’. Geurt van de Glind, onderzoeker bij ICASA, vertelt waarom er meer geld moet komen: “We weten te weinig over hoe de aandoening in elkaar steekt, terwijl er wel veel jongeren zijn die allerlei problemen krijgen door de symptomen ervan.”

Het verhaal van de 16-jarige Pascal Keijzer uit Hoogkarspel is onderdeel van de campagne. Op 30 april 2007 werd hij door een drugsdealer om het leven gebracht. Pascal had ADHD. Al op zijn 11e waren bij Pascal de symptomen van de stoornis aanwezig, terwijl de ouders van Pascal hier geen idee van hadden. Vader Jack Keijzer: “Hij raakte van slag, werd om niks boos, en wij begrepen er niets van.”

Pas toen Pascal 13 was en een aangrijpende zelfmoordbrief had geschreven, constateerde een psychiater dat hij leed aan ADHD. Keijzer: “Pascal bleef daardoor achter op school. Hij zei eens tegen me: ‘Pa, ik wil het wel goed doen, maar ik kán het niet’.” Zijn zoon kreeg vanaf die tijd Ritalin voorgeschreven, maar stopte met het gebruik van dit medicijn, zonder dat zijn ouders dit wisten. Keijzer: “Pascal werd steeds ongelukkiger en voelde zich onbegrepen. Om van dat vervelende gevoel af te komen, ging hij drugs gebruiken. Met als gevolg dat hij verslaafd werd en in de drugsscene belandde. Dat werd hem fataal.”
Pascals geval is volgens Van de Glind het worstcasescenario, als het gaat om ADHD en verslaving. “Maar in onze jeugdgevangenissen zitten wel degelijk kinderen vast, die door dit ziektebeeld in de criminaliteit zijn beland.” joost van der wegen

www.icasa-crowdfunding.org

 

Bron: Metro Nieuws, d.d. 09-05-2012

Lettertype Dyslexie: lettertype biedt uitkomst voor dyslectische kinderen

Al jaren wordt er onderzoek gedaan naar leesstoornissen en welke interventies er wel en niet werken. Recent is er een nieuw lettertype ‘Dyslexie’ genaamd, die dyslectische mensen moet helpen bij het lezen. Het lettertype is ontworpen door Christiaan Boer die zelf dyslectisch is.

Dyslexie kenmerkt zich in problemen met het lezen en schrijven. Men heeft moeite om het verschil te horen tussen klanken als m en n; p, t en k; s, f en g; eu, u en ui. Ook worden klanken vaak verwisseld, zoals  ‘dorp’ en ‘drop’ of ’12’ en ’21’, het zogeheten spiegelen. Tevens gaat het inprenten van reeksen, bijvoorbeeld tafels of spellingsregels. Bij het lezen valt op dat sommige kinderen heel traag lezen en andere weer heel snel, maar dan wel met relatief veel fouten. Bij het schrijven valt vaak het onleesbare handschrift op en bij spelling heeft men moeite om de spellingsregels goed toe te passen (Steunpunt dyslexie).

Wanneer dyslecten teksten lezen, zakt de moed hun vaak in de schoenen vanwege de grote tekstblokken. De regels zijn vaak lang, waardoor kinderen ‘verdwalen’ in de tekst of overzicht kwijt raken op de pagina. Tevens zijn veel teksten uitgevuld op de pagina, waardoor alle regels op elkaar lijken en een dyslect dus geen herkenningspunten meer heeft  (www.studiostudio.nl). Dit heeft Christiaan Boer er toe gedreven om verder na te denken over hoe dit probleem aangepakt kan worden.

De grootste verschillen tussen traditionele lettertypes en het lettertype Dyslexie is dat het zwaartepunt van de letter laag ligt, waardoor de kletter niet snel ondersteboven gedraaid zal worden. Daarnaast zijn de openingen van de letters groter, waardoor de vorm van de letters verduidelijkt worden en ze zo minder op elkaar lijken. Ook de hoogte van sommige letters is vergroot, zodat ze minder op elkaar letten. Sommige letters zijn iets schuin gezet op basis van de geschreven letters. Ook hierdoor worden de verschillen ten opzichte van elkaar groter. Ook letters die veel op elkaar lijken zijn ten opzichte van elkaar veranderd door bijvoorbeeld een langere stok of staart te krijgen. Door de verschillende hoogtes van letters, krijgt elke letters zijn eigen karakter waardoor ze minder op elkaar lijken. Ook de ruimte tussen letters en woorden is groter zodat ze de ruimte hebben (www.lexima.nl). Door hier te klikken kan men enkele voorbeelden zijn van het lettertype.

Dyslexie
Andere algemene tips die goed werken voor kinderen met dyslexie is om een stuk tekst op te delen in meerdere alinea’s en de tekstkolommen niet breder te maken dan 6 à 9 woorden. Het opdelen in kolommen met genoeg ruimte tussen de kolommen kan dus ook helpen. In plaats van tekst uitvullen is het wenselijk om de tekst links uit te lijnen (studio studio).

De universiteit van Twente heeft in 2010 onderzoek gedaan of dit lettertype inderdaad dyslectische kinderen helpt bij het lezen. Er hebben 21 dyslecten  en 22 normaal lezende studenten deelgenomen aan het onderzoek. Ze hebben de Een-Minuut-Test en de Klepel twee keer gelezen. Eén keer in het lettertype Arial en één keer in het lettertype Dyslexie. Hypothesen in dit onderzoek waren:

1) de leessnelheid bij dyslecten zal toenemen
2) de accuratesse bij dyslecten neemt toe
3) de leessnelheid van niet-dyslecten neemt toe
4) de attitude van de deelnemers naar het lettertype dyslexie is positief.

De resultaten op basis van dit onderzoek leverde geen significant verschillen op voor de leessnelheid, maar er waren wel enkele positieve en negatieve effecten gevonden voor de accuratesse. Enkele specifieke leesfouten verminderen, terwijl andere toenemen. Over het algemeen werden er bij de groep dyslecten minder fouten gemaakt wanneer er werd gelezen met het lettertype Dyslexie. Wat betreft de attitude blijkt dat de dyslecten positief zijn over het lettertype. Op de vraag of ze het ook wilde gaan gebruiken werd ongeveer even vaak positief als negatief gereageerd. Mogelijk speelt hierbij een rol dat anderen dit lettertype niet gebruiken of niet mogen (Leeuwen, 2010).

Concluderend, dit nieuwe lettertype kan dus uitkomst bieden. Er moet nog een PR-offensief komen, zodat dyslecten ook daadwerkelijk dit lettertype gaan hanteren. Via Studio Studio is het lettertype te bestellen.

 

ADHD zichtbaar in de hersenen

Het is lastig om de diagnose ADHD te stellen, het gaat tenslotte om gedragsproblemen. Onderzoekers hebben nu echter afwijkingen in de hersenen van kinderen met ADHD ontdekt.
Deze ontdekking kan in de toekomst wellicht bijdragen aan het stellen van de diagnose. Op die manier zal het minder vaak voorkomen dat kinderen onterecht de diagnose ADHD krijgen, of dat kinderen met ADHD niet gediagnosticeerd worden.
HersenactiviteitMet behulp van een MRI-scan hebben onderzoekers van het Albert Einstein College of Medicine in New York de hersenen van 36 kinderen tussen de 9 en 15 jaar in kaart gebracht. De helft van deze kinderen had de diagnose ADHD. De onderzoekers vergeleken de hersenactiviteit van de kinderen tijdens het uitvoeren van verschillende taken.
Bij de kinderen met ADHD was de hersenactiviteit in verschillende hersengebieden anders. Het betrof vooral gebieden betrokken bij de verwerking van visuele informatie die aandacht vraagt. Ook was de communicatie tussen verschillende hersengebieden bij de kinderen met ADHD verstoord.
Concentratieproblemen”Onze resultaten laten zien dat kinderen met ADHD andere hersengebieden gebruiken om bepaalde informatie te verwerken.”, aldus onderzoeker Xiaobo Li. “Wellicht is dit de oorzaak van de problemen die de kinderen ervaren.” Volgens Li lag de aandacht in het ADHD-onderzoek veel te sterk op de impulsiviteit. “De concentratieproblemen zijn net zo belangrijk.”
ADHD, Attention Deficit/Hyperactivity Disorder, is een van de meest voorkomende aandoeningen bij kinderen. Globale kenmerken van ADHD zijn: hyperactiviteit, problemen met aandacht, druk gedrag en impulsiviteit. De Gezondheidsraad gaat ervan uit dat in Nederland 2 procent van de kinderen tussen vijf en veertien jaar ADHD of een ADHD-aanverwante stoornis heeft. Dat zijn ruim 40.000 kinderen. Een dubbel aantal kinderen heeft minder ernstige stoornissen of niet alle symptomen van ADHD.

 

Bron: A. Hoogland, gezondheidsnet

De WISC-IV en WISC-V, bericht van Pearson

De WISC-IV zal niet in een Nederlandstalige bewerking uitgegeven gaan worden. In Nederland wordt gewacht op de uitgave van de Amerikaanse WISC-V en hiervan zal een Nederlandstalige bewerking ontwikkeld worden.

De reden hiervoor is dat indien nu de WISC-IV bewerkt zou worden, deze pas 3 jaar later op de markt zal verschijnen. In de US wordt momenteel al gewerkt aan de ontwikkeling van de WISC-V, wat zou betekenen dat de WISC-V-US en de WISC-IV-NL publicatie zo dicht bij elkaar liggen dat het meer zinvol is om de WISC-V ook voor het Nederlandstalig gebied te bewerken. Op die manier lopen we in Nederland qua theoretische onderbouwing en doorontwikkeling weer gelijk met de US. Om toch te zorgen dat er niet te lange tijd verstrijkt tussen de WISC-III-NL en de WISC-IV-NL is er nauwe betrokkenheid bij de ontwikkeling in Amerika en kan er zo vroeg mogelijk gestart worden met het bewerken van de WISC-V. Momenteel is er nog geen informatie over de WISC-V beschikbaar, omdat er nog geen definitieve versie is. De ontwikkeling in de US is gestart maar bevindt zich nu in de derde pilotfase. Hier in Nederland kunnen we pas starten als zij de standaardisatiefase ingaan.

Op het moment dat wij kunnen beginnen, duurt het nog minimaal 3 jaar voor de uiteindelijke publicatie plaatsvindt. Op zijn vroegst spreken we over 2016.

Bron: Pearson

Verbale en non-verbale intelligentie verandert vaak nog in het tienerbrein

Het IQ van tieners kan in de loop der jaren veranderen. Dat ontdekten Britse onderzoekers.
Cathy Price van het University College London nam een IQ-test af bij 33 tieners tussen de 12 en 16 jaar en maakte een hersenscan van hen. Toen de test na vier jaar werd herhaald scoorde een op de vijf tieners gemiddeld tien punten hoger of lager; hersenkernen bleken te zijn gegroeid of achtergebleven. Dat betekent dat sterktes en zwaktes nog in ontwikkeling zijn tijdens de tienerjaren.
In Nature waarschuwt Price ‘om slecht presterende kinderen niet te snel af te schrijven’. Hersenwetenschapper Hilleke Hulshoff Pol zegt in de Volkskrant dat ouders geen irreële verwachtingen moeten krijgen over de intelligentie van hun kind, maar dat het belangrijk is om meer te letten op individuele verschillen in de ontwikkeling tussen kinderen. Die verschillen zouden, los van de Cito-score, zwaarder mogen meewegen bij de schoolkeuze, meent zij.

Zie ook: samenvatting artikel

Bron: NJI

Grote bezorgdheid om mogelijke invoering adolescentenstrafrecht

Een aantal kinderrechters, jeugdofficieren, medewerkers van de jeugdreclassering, gevangenisbehandelaars en onderzoekers is zeer bezorgd over de voorgestelde verlaging van de bovengrens van het jeugdstrafrecht van 18 naar 16 jaar. Dat staat in hun brief van 5 oktober aan de Tweede Kamer. Een heldere argumentatie voor de verlaging ontbreekt in het voorstel, volgens de briefschrijvers. Uit onderzoek blijkt steeds weer dat 16- en 17-jarigen niet kunnen doorgaan voor volwassenen. De leeftijdsverlaging van het jeugdstrafrecht is bovendien in strijd met het door Nederland getekende Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind, dat 18 jaar als norm stelt. De briefschrijvers maken zich ook zorgen over de voorgestelde verzwaring van de maximale gevangenisstraf voor 16- en 17-jarigen. Daarnaast is nog veel onduidelijk over belangrijke aspecten van het voorgestelde aparte strafrecht voor jongvolwassenen. De brief is een reactie op het voorstel van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om een adolescentenstrafrecht in te voeren.

De gehele brief is hier te vinden

Bron: NJI

Psychische hulp aan kinderen van gescheiden ouders

Op 18 maart 2011 besteedde de Ombudsman op Nederland 3 aandacht aan dit thema. Uit onderzoek van het CBS blijkt namelijk dat jaarlijks zo’n 33.000 kinderen te maken krijgen met echtscheiding. Wanneer het kind dan medische of psychische hulp nodig heeft, moeten beide gezaghebbende ouders toestemming geven voor de behandeling. Doen zij dat niet, dan krijgen zij geen hulp. In de uitzending van 18 maart gaat de Ombudsman in gesprek met een moeder waarvan haar zoon begeleiding nodig had wat de vader van de jongen weigerde. Uiteindelijk, door bemiddeling van de Ombudsman, gingen ouders weer in gesprek met elkaar (Vara, 2011). Ook familierecht advocate Boonder ziet regelmatig gebeuren dat vaders psychische hulp minder nodig achten dan moeders en daardoor geen toestemming geven. Behandeling is dan wettelijk onmogelijk (Metro, 2011). Enige uitzondering is dat de behandelaar aangeeft dat behandeling noodzakelijk is. Hiervoor moet de behandelaar wel echt kind gezien hebben en dat mag juist niet. Tevens geeft Mw. Boonder aan dat hiermee de verantwoordelijkheid bij de zorgverlener ligt, die het risico loopt op een klacht bij de tuchtcommissie (Metro, 2011).

Get Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.

Echtscheidingsproblemen
Helaas komen kinderen van gescheiden ouder twee keer vaker in psychische problemen dan andere kinderen. Angst, agressie en depressie zouden vaker voorkomen bij deze kinderen (Metro, 2011). Uit onderzoek (Wood, Repetti, & Roesch, 2004) blijkt inderdaad dat zowel externaliserende problemen als internaliserende problemen bij kinderen van gescheiden ouders meer aanwezig zijn. Tevens leidt scheiding vaker tot ouder-kind-relatieproblemen. Ook is de kans groter dat er niet alleen (gedrags)problemen zijn vlak na de scheiding, d.w.z. als aanpassingsproces, maar ook in de toekomst. De psychosociale omstandigheden blijken een grote mediërende rol te spelen in het instandhouden van de problemen. De onderzoekers geven aan dat emotionele aanpassing van ouders en gedrag van ouders zijn eveneens mediërende factoren. Wanneer ouders dus scheiden is het goed denkbaar dat alleen de scheiding al genoeg veroorzaakt waarvoor behandeling wenselijk en misschien zelfs noodzakelijk is.

Aanpassing wet?
De ethische beroepscode van het Nederlands Instituut voor Psychologen staat dat bij onderzoek en behandeling van minderjarigen, d.w.z. jongeren jonger dan 16 jaar, beide gezaghebbende ouders toestemming moeten geven (NIP, 2007). Men is niet verplicht om de toestemming schriftelijk te ontvangen. Mondelinge toestemming mét een duidelijke aantekening hiervan in het dossier van het kind is voldoende. Wanneer men twijfelt of de toestemming een vast gegeven is, mag men natuurlijk altijd een ondertekende toestemmingsverklaring vragen.

Op 16 mei heeft de Tweede Kamer vragen gesteld omtrent de toestemming van ouders. De minister, Mw. Veldhuijzen van Zanten, heeft deze vragen beantwoord. De minister geeft aan dat kinderen niet van noodzakelijke behandeling onthouden mag worden. Volgens de minister biedt de huidige wetgeving voldoende mogelijkheden, ook bij conflicten. De minister refereert naar de Wgbo waarin staat dat kinderen bij ingrijpende gebeurtenissen geen toestemming nodig hebben van beide ouders. Of een behandeling ingrijpend is hangt af van de aard van de gevolgen van de behandeling. Wanneer een behandeling wel ingrijpend van aard is, moet er onderscheidt gemaakt worden tussen drie leeftijdscategorieën:

  1. Kinderen jonger dan 12 jaar
  2. Kinderen van 12 tot en met 15 jaar
  3. Kinderen vanaf 16 jaar

Bij  de eerste groep moeten beide ouders ingrijpen. Wanner er geen tijd is om toestemming te vragen kan de behandeling gestart worden om ernstig nadeel te voorkomen. Dit geldt ook voor gezondheidszorgpsychologen.
Bij de tweede groep is het uitgangspunt dat zowel ouders als kind instemmen. Wanneer de behandeling de wens van het kind is, kan het kind behandeld worden. De mening van het kind is dus doorslaggevend.
Bij de laatste groep mogen de kinderen zelf beslissen of ze behandeling willen. Toestemming van de ouders is niet nodig.
Al met al wil de minister benadrukken dat het geen tostemming krijgen nooit er toe mag leiden dat een hulpverlener moet handelen in strijd met de zorg van een goede hulpverlener. Immers, goed hulpverlenerschap gaat over welke zorg een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben getracht (Ministerie VWS, 2011).
De minister heeft hiermee dus wel oog voor de lastige dilemma’s rondom dit thema, maar zij vindt de huidige wetgeving hierin duidelijk en ruim genoeg. Jeugdzorg Nederland is het hier niet geheel mee eens. Zij zouden wel graag aanpassing van de wet zien (Vara, 2011)

Tuchtcommissie
En misschien heeft de minister heir ook wel gelijk in. Op 24 mei 2011 heeft de tuchtcommissie uitspraak gedaan dat een arts er van uit mag gaan dat e ouder die het kind begeleidt tevens de andere ouder vertegenwoordigt. En als ouders een verschillende mening hebben, mag een arts toch handelen. De tuchtcommissie deed deze uitspraak in een zaak die een gescheiden vader tegen de huisarts had aangespannen. De vader wilde dat zijn kind door een andere huisarts werd behandeld, waar hij het kind ook bij had ingeschreven, De moeder ging toch naar de aangeklaagde huisarts die het kind ook behandelde. Volgens de tuchtcommissie stelde de vader het belang van het kind niet voorop. Het ging hier echter wel om een niet-ingrijpende behandeling. Bij een ingrijpende behandeling had de uitspraak anders kunnen zijn (Artsennet, 2011).

Tot slot:
Hoewel er een heldere omschrijving in de Wgbo staat hoe er bij behandeling van kinderen ven gescheiden ouders gehandeld moet worden en de minister de wetgeving momenteel ook ruim genoeg vindt, levert het in de praktijk nog veel gedoe op. Veel hulpverleners zijn huiverig en bang voor een klacht bij de tuchtcommissie. Het is natuurlijk erg fijn dat er recent uitspraken zijn gedaan waarin de tuchtcommissie duidelijk het belang van het kind voorop stelt. Desalniettemin zijn dit ingrijpende gebeurtenissen. Geen enkele hulpverlener wil met de tuchtcommissie in aanraking komen.

 

Bronnen:

  • Artsennet (17-6-2011), Centraal Tuchtcollege: toestemming beide ouders voor behandeling niet altijd nodig, op
  • Metro Nieuws (19-5-2011), Scheidende vader hindert hulp aan kind.
  • Ministerie VWS (2011), Kamervragen over de hulp aan kinderen van gescheiden ouders.
  • Nederlands Instituut voor Psychologen (2007), Beroepscode (2007).
  • Vara (2011), Afl.10 Gescheiden ouders.
  • Wood, J.J., Repetti, R.L., & Roesch, S.C. (2004), Divorce and children’s adjustment problems at home and school: Depressive/withdrwan parenting. In: Child Psychiatry and Human Development,Vol. 35(2).

Woordblind en stemblind

Eind juli hebben een drietal Amerikaanse onderzoekers hun resultaten gepubliceerd. Zij hebben onderzoek gedaan bij dyslectische mensen naar hun taalvermogen om bekende stemmen te herkennen. Zij kwamen tot een verrassende conclusie, welke toch ook verklaarbaar is vanuit de problematiek van dyslexie. Zij concludeerden namelijk dat mensen met  dyslexie (woordblindheid) ook flink slechter zijn dan gemiddeld in het herkennen van bekende stemmen. Tyler Perrachione en zijn collega’s stelden zowel een groep dyslectische mensen als een groep met proefpersonen die wel goed konden lezen bloot aan een tiental onbekende stemmen, die allemaal hoorden bij een bepaald cartoonfiguurtje. De truc van het onderzoek was dat vijf van de stemmen Engels spraken (de moedertaal van de deelnemers), terwijl vijf andere stemmen Mandarijn (Chinees) spraken. Het is al langer bekend dat mensen stemmen die in hun eigen taal spreken makkelijker herkennen dan stemmen die in een vreemde taal spreken. Dit heeft te maken met fonologie, oftewel klank, klankveranderingen en het ritme van woorden. En met de onbekendheid van de klanken uit zo’n andere taal. Je hersenen hebben moeite met deze onbekende klanken herkennen, en herkennen daardoor ook intonatie van individuele sprekers slecht. Wetenschappers vermoeden verder al een poosje dat dyslexie, een aandoening die zich vooral uit in de vorm van slecht kunnen lezen (een taalprobleem), eigenlijk ook voortkomt uit problemen met fonologie. Kinderen met dyslexie zijn bijvoorbeeld een stuk slechter dan gemiddeld in rijmen en alliteratie, wat beide te maken heeft met woordklank. Als dyslexie inderdaad een fonologisch probleem zou zijn, zou je verwachten dat voor mensen met deze aandoening bij het herkennen van iemands stem niet veel uitmaakt welke taal iemand spreekt. Omdat ze hier sowieso niet zo goed in zijn. Dat is precies wat uit het onderzoek van Perrachione blijkt. De deelnemers kregen eerst allemaal een poosje de tijd om zichzelf goed in te prenten welke stem bij welk getekend karakter hoorde. Voor de eigenlijke test kregen zij alleen de stemmen te horen, en moesten ze aangeven bij welk van de cartoonfiguren die stem hoorde. De proefpersonen zonder leesproblemen wisten, bij de Engelse stemmen, bij zeventig procent van de geluidsfragmenten goed aan te geven bij welk cartoonfiguurtje de stem hoorde. De Mandarijnse stemmen herkenden zij veel minder goed. Maar de proefpersonen met dyslexie scoorden voor beide talen hetzelfde: zij herkenden zowel de Engelse als Mandarijnse stemmen in vijftig procent van de gevallen goed. Mensen met dyslexie lijken dus slechter dan normaal stemmen te herkennen. Wat een extra bewijs is voor het idee dat woordblindheid eigenlijk een fonologisch probleem is. En, zoals in de inleiding van dit artikel stond, voor het idee dat taal en stemherkenning toch behoorlijk dicht met elkaar verweven zijn. In een zogenoemd perspective-artikel dat tegelijk met de studie van Perrachione en zijn collega’s verschijnt, pleit hersenwetenschapster Patricia Kuhl voor meer onderzoek naar dit fenomeen.

Bron: Wetenschap24

Categorieën

Archief