Hulpverleners

Verbale en non-verbale intelligentie verandert vaak nog in het tienerbrein

Het IQ van tieners kan in de loop der jaren veranderen. Dat ontdekten Britse onderzoekers.
Cathy Price van het University College London nam een IQ-test af bij 33 tieners tussen de 12 en 16 jaar en maakte een hersenscan van hen. Toen de test na vier jaar werd herhaald scoorde een op de vijf tieners gemiddeld tien punten hoger of lager; hersenkernen bleken te zijn gegroeid of achtergebleven. Dat betekent dat sterktes en zwaktes nog in ontwikkeling zijn tijdens de tienerjaren.
In Nature waarschuwt Price ‘om slecht presterende kinderen niet te snel af te schrijven’. Hersenwetenschapper Hilleke Hulshoff Pol zegt in de Volkskrant dat ouders geen irreële verwachtingen moeten krijgen over de intelligentie van hun kind, maar dat het belangrijk is om meer te letten op individuele verschillen in de ontwikkeling tussen kinderen. Die verschillen zouden, los van de Cito-score, zwaarder mogen meewegen bij de schoolkeuze, meent zij.

Zie ook: samenvatting artikel

Bron: NJI

Grote bezorgdheid om mogelijke invoering adolescentenstrafrecht

Een aantal kinderrechters, jeugdofficieren, medewerkers van de jeugdreclassering, gevangenisbehandelaars en onderzoekers is zeer bezorgd over de voorgestelde verlaging van de bovengrens van het jeugdstrafrecht van 18 naar 16 jaar. Dat staat in hun brief van 5 oktober aan de Tweede Kamer. Een heldere argumentatie voor de verlaging ontbreekt in het voorstel, volgens de briefschrijvers. Uit onderzoek blijkt steeds weer dat 16- en 17-jarigen niet kunnen doorgaan voor volwassenen. De leeftijdsverlaging van het jeugdstrafrecht is bovendien in strijd met het door Nederland getekende Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind, dat 18 jaar als norm stelt. De briefschrijvers maken zich ook zorgen over de voorgestelde verzwaring van de maximale gevangenisstraf voor 16- en 17-jarigen. Daarnaast is nog veel onduidelijk over belangrijke aspecten van het voorgestelde aparte strafrecht voor jongvolwassenen. De brief is een reactie op het voorstel van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om een adolescentenstrafrecht in te voeren.

De gehele brief is hier te vinden

Bron: NJI

Psychische hulp aan kinderen van gescheiden ouders

Op 18 maart 2011 besteedde de Ombudsman op Nederland 3 aandacht aan dit thema. Uit onderzoek van het CBS blijkt namelijk dat jaarlijks zo’n 33.000 kinderen te maken krijgen met echtscheiding. Wanneer het kind dan medische of psychische hulp nodig heeft, moeten beide gezaghebbende ouders toestemming geven voor de behandeling. Doen zij dat niet, dan krijgen zij geen hulp. In de uitzending van 18 maart gaat de Ombudsman in gesprek met een moeder waarvan haar zoon begeleiding nodig had wat de vader van de jongen weigerde. Uiteindelijk, door bemiddeling van de Ombudsman, gingen ouders weer in gesprek met elkaar (Vara, 2011). Ook familierecht advocate Boonder ziet regelmatig gebeuren dat vaders psychische hulp minder nodig achten dan moeders en daardoor geen toestemming geven. Behandeling is dan wettelijk onmogelijk (Metro, 2011). Enige uitzondering is dat de behandelaar aangeeft dat behandeling noodzakelijk is. Hiervoor moet de behandelaar wel echt kind gezien hebben en dat mag juist niet. Tevens geeft Mw. Boonder aan dat hiermee de verantwoordelijkheid bij de zorgverlener ligt, die het risico loopt op een klacht bij de tuchtcommissie (Metro, 2011).

Get Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.

Echtscheidingsproblemen
Helaas komen kinderen van gescheiden ouder twee keer vaker in psychische problemen dan andere kinderen. Angst, agressie en depressie zouden vaker voorkomen bij deze kinderen (Metro, 2011). Uit onderzoek (Wood, Repetti, & Roesch, 2004) blijkt inderdaad dat zowel externaliserende problemen als internaliserende problemen bij kinderen van gescheiden ouders meer aanwezig zijn. Tevens leidt scheiding vaker tot ouder-kind-relatieproblemen. Ook is de kans groter dat er niet alleen (gedrags)problemen zijn vlak na de scheiding, d.w.z. als aanpassingsproces, maar ook in de toekomst. De psychosociale omstandigheden blijken een grote mediërende rol te spelen in het instandhouden van de problemen. De onderzoekers geven aan dat emotionele aanpassing van ouders en gedrag van ouders zijn eveneens mediërende factoren. Wanneer ouders dus scheiden is het goed denkbaar dat alleen de scheiding al genoeg veroorzaakt waarvoor behandeling wenselijk en misschien zelfs noodzakelijk is.

Aanpassing wet?
De ethische beroepscode van het Nederlands Instituut voor Psychologen staat dat bij onderzoek en behandeling van minderjarigen, d.w.z. jongeren jonger dan 16 jaar, beide gezaghebbende ouders toestemming moeten geven (NIP, 2007). Men is niet verplicht om de toestemming schriftelijk te ontvangen. Mondelinge toestemming mét een duidelijke aantekening hiervan in het dossier van het kind is voldoende. Wanneer men twijfelt of de toestemming een vast gegeven is, mag men natuurlijk altijd een ondertekende toestemmingsverklaring vragen.

Op 16 mei heeft de Tweede Kamer vragen gesteld omtrent de toestemming van ouders. De minister, Mw. Veldhuijzen van Zanten, heeft deze vragen beantwoord. De minister geeft aan dat kinderen niet van noodzakelijke behandeling onthouden mag worden. Volgens de minister biedt de huidige wetgeving voldoende mogelijkheden, ook bij conflicten. De minister refereert naar de Wgbo waarin staat dat kinderen bij ingrijpende gebeurtenissen geen toestemming nodig hebben van beide ouders. Of een behandeling ingrijpend is hangt af van de aard van de gevolgen van de behandeling. Wanneer een behandeling wel ingrijpend van aard is, moet er onderscheidt gemaakt worden tussen drie leeftijdscategorieën:

  1. Kinderen jonger dan 12 jaar
  2. Kinderen van 12 tot en met 15 jaar
  3. Kinderen vanaf 16 jaar

Bij  de eerste groep moeten beide ouders ingrijpen. Wanner er geen tijd is om toestemming te vragen kan de behandeling gestart worden om ernstig nadeel te voorkomen. Dit geldt ook voor gezondheidszorgpsychologen.
Bij de tweede groep is het uitgangspunt dat zowel ouders als kind instemmen. Wanneer de behandeling de wens van het kind is, kan het kind behandeld worden. De mening van het kind is dus doorslaggevend.
Bij de laatste groep mogen de kinderen zelf beslissen of ze behandeling willen. Toestemming van de ouders is niet nodig.
Al met al wil de minister benadrukken dat het geen tostemming krijgen nooit er toe mag leiden dat een hulpverlener moet handelen in strijd met de zorg van een goede hulpverlener. Immers, goed hulpverlenerschap gaat over welke zorg een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben getracht (Ministerie VWS, 2011).
De minister heeft hiermee dus wel oog voor de lastige dilemma’s rondom dit thema, maar zij vindt de huidige wetgeving hierin duidelijk en ruim genoeg. Jeugdzorg Nederland is het hier niet geheel mee eens. Zij zouden wel graag aanpassing van de wet zien (Vara, 2011)

Tuchtcommissie
En misschien heeft de minister heir ook wel gelijk in. Op 24 mei 2011 heeft de tuchtcommissie uitspraak gedaan dat een arts er van uit mag gaan dat e ouder die het kind begeleidt tevens de andere ouder vertegenwoordigt. En als ouders een verschillende mening hebben, mag een arts toch handelen. De tuchtcommissie deed deze uitspraak in een zaak die een gescheiden vader tegen de huisarts had aangespannen. De vader wilde dat zijn kind door een andere huisarts werd behandeld, waar hij het kind ook bij had ingeschreven, De moeder ging toch naar de aangeklaagde huisarts die het kind ook behandelde. Volgens de tuchtcommissie stelde de vader het belang van het kind niet voorop. Het ging hier echter wel om een niet-ingrijpende behandeling. Bij een ingrijpende behandeling had de uitspraak anders kunnen zijn (Artsennet, 2011).

Tot slot:
Hoewel er een heldere omschrijving in de Wgbo staat hoe er bij behandeling van kinderen ven gescheiden ouders gehandeld moet worden en de minister de wetgeving momenteel ook ruim genoeg vindt, levert het in de praktijk nog veel gedoe op. Veel hulpverleners zijn huiverig en bang voor een klacht bij de tuchtcommissie. Het is natuurlijk erg fijn dat er recent uitspraken zijn gedaan waarin de tuchtcommissie duidelijk het belang van het kind voorop stelt. Desalniettemin zijn dit ingrijpende gebeurtenissen. Geen enkele hulpverlener wil met de tuchtcommissie in aanraking komen.

 

Bronnen:

  • Artsennet (17-6-2011), Centraal Tuchtcollege: toestemming beide ouders voor behandeling niet altijd nodig, op
  • Metro Nieuws (19-5-2011), Scheidende vader hindert hulp aan kind.
  • Ministerie VWS (2011), Kamervragen over de hulp aan kinderen van gescheiden ouders.
  • Nederlands Instituut voor Psychologen (2007), Beroepscode (2007).
  • Vara (2011), Afl.10 Gescheiden ouders.
  • Wood, J.J., Repetti, R.L., & Roesch, S.C. (2004), Divorce and children’s adjustment problems at home and school: Depressive/withdrwan parenting. In: Child Psychiatry and Human Development,Vol. 35(2).

Woordblind en stemblind

Eind juli hebben een drietal Amerikaanse onderzoekers hun resultaten gepubliceerd. Zij hebben onderzoek gedaan bij dyslectische mensen naar hun taalvermogen om bekende stemmen te herkennen. Zij kwamen tot een verrassende conclusie, welke toch ook verklaarbaar is vanuit de problematiek van dyslexie. Zij concludeerden namelijk dat mensen met  dyslexie (woordblindheid) ook flink slechter zijn dan gemiddeld in het herkennen van bekende stemmen. Tyler Perrachione en zijn collega’s stelden zowel een groep dyslectische mensen als een groep met proefpersonen die wel goed konden lezen bloot aan een tiental onbekende stemmen, die allemaal hoorden bij een bepaald cartoonfiguurtje. De truc van het onderzoek was dat vijf van de stemmen Engels spraken (de moedertaal van de deelnemers), terwijl vijf andere stemmen Mandarijn (Chinees) spraken. Het is al langer bekend dat mensen stemmen die in hun eigen taal spreken makkelijker herkennen dan stemmen die in een vreemde taal spreken. Dit heeft te maken met fonologie, oftewel klank, klankveranderingen en het ritme van woorden. En met de onbekendheid van de klanken uit zo’n andere taal. Je hersenen hebben moeite met deze onbekende klanken herkennen, en herkennen daardoor ook intonatie van individuele sprekers slecht. Wetenschappers vermoeden verder al een poosje dat dyslexie, een aandoening die zich vooral uit in de vorm van slecht kunnen lezen (een taalprobleem), eigenlijk ook voortkomt uit problemen met fonologie. Kinderen met dyslexie zijn bijvoorbeeld een stuk slechter dan gemiddeld in rijmen en alliteratie, wat beide te maken heeft met woordklank. Als dyslexie inderdaad een fonologisch probleem zou zijn, zou je verwachten dat voor mensen met deze aandoening bij het herkennen van iemands stem niet veel uitmaakt welke taal iemand spreekt. Omdat ze hier sowieso niet zo goed in zijn. Dat is precies wat uit het onderzoek van Perrachione blijkt. De deelnemers kregen eerst allemaal een poosje de tijd om zichzelf goed in te prenten welke stem bij welk getekend karakter hoorde. Voor de eigenlijke test kregen zij alleen de stemmen te horen, en moesten ze aangeven bij welk van de cartoonfiguren die stem hoorde. De proefpersonen zonder leesproblemen wisten, bij de Engelse stemmen, bij zeventig procent van de geluidsfragmenten goed aan te geven bij welk cartoonfiguurtje de stem hoorde. De Mandarijnse stemmen herkenden zij veel minder goed. Maar de proefpersonen met dyslexie scoorden voor beide talen hetzelfde: zij herkenden zowel de Engelse als Mandarijnse stemmen in vijftig procent van de gevallen goed. Mensen met dyslexie lijken dus slechter dan normaal stemmen te herkennen. Wat een extra bewijs is voor het idee dat woordblindheid eigenlijk een fonologisch probleem is. En, zoals in de inleiding van dit artikel stond, voor het idee dat taal en stemherkenning toch behoorlijk dicht met elkaar verweven zijn. In een zogenoemd perspective-artikel dat tegelijk met de studie van Perrachione en zijn collega’s verschijnt, pleit hersenwetenschapster Patricia Kuhl voor meer onderzoek naar dit fenomeen.

Bron: Wetenschap24

Autisme is er in minstens twee vormen

Uit onderzoek blijkt dat er zeker twee vormen van autisme zijn die elk hun eigen oorzaak hebben.Onderzoeker David Amaral bestudeerde 350 kinderen met autisme en ontdekte zo dat de aandoening meerdere types kent. De resultaten werden gisteren tijdens de Asia Pacific Autism Conference gepresenteerd. Sommige kinderen met autisme blijken een afwijking te hebben in de groei van hun hersenen. Hun brein begint wanneer ze vier of vijf maanden oud zijn opvallend groot te worden. Wanneer ze achttien of 24 maanden oud zijn, beginnen ze symptomen van autisme te vertonen. Deze vorm van autisme bleek enkel voor te komen onder jongens. Andere kinderen hadden die afwijking niet, maar vertoonden in de eerste twaalf maanden van hun leven al symptomen van autisme. “De biologische oorzaak van autisme is bij deze kinderen waarschijnlijk heel anders dan bij de kinderen met een abnormale groei van het brein,” zo concludeert Amaral.“Het is absoluut duidelijk dat er verschillende subtypes van autisme zijn.” Amaral vermoedt dat dit nog maar een tipje van de ijsberg is en dat er nog veel meer soorten autisme ontdekt zullen worden. Hij benadrukt dat het opsporen van deze verschillende types heel belangrijk is. Alleen zo kan autisme effectief behandeld worden. Want elke vorm van autisme heeft een eigen oorzaak en vraagt dus om een andere behandeling.

Bron: www.scientias.nl

Veranderingen in probleemgedrag, persoonlijkheid en opvoeding

woensdag, september 7th, 2011 | Gedragsproblemen, Hulpverleners, Nieuws | Geen reacties

Tussen de kindertijd en de adolescentie vinden veel veranderingen plaats. Naast veranderingen in opvoedgedrag van de ouders, verandert het gedrag en de persoonlijkheid van kinderen. Ouders vertonen, naarmate kinderen ouder worden, minder overreactief opvoedgedrag (kritiek, stem verheffen) en minder warmte en betrokkenheid. Kinderen vertonen naarmate zij ouder worden minder agressie en meer regeloverschrijdend gedrag (spijbelen, vandalisme). Kinderen worden tevens minder extravert, ordelijk, emotioneel stabiel, en vindingrijk.
Niet alle kinderen veranderen hetzelfde: kinderen, die op jonge leeftijd extraverter, ordelijker, emotioneel stabieler en vindingrijker zijn, dalen minder in deze persoonlijkheidskenmerken. Dat schrijft pedagoge Amaranta de Haan in haar proefschrift. De Haan onderzocht de relaties tussen de ontwikkeling in opvoedgedrag, probleemgedrag en persoonlijkheid in de periode tussen 6 en 17 jaar.
De mate waarin het agressieve en regeloverschrijdende gedrag van kinderen veranderde, blijkt samen te hangen met veranderingen in opvoedgedrag en in persoonlijkheidskenmerken. Als ouders meer overreactiviteit en weinig warmte vertoonden terwijl hun kinderen ouder werden, daalden kinderen minder in agressie en stegen zij sterker in regeloverschrijdend gedrag. Kinderen die sterker daalden in extraversie, ordelijkheid, emotionele stabiliteit en vindingrijkheid, vertoonden meer probleemgedrag in de adolescentie.
Verder schrijft de Utrechtse pedagoge dat persoonlijkheidskenmerken van kinderen, meer nog dan opvoedgedrag, belangrijk zijn voor de ontwikkeling van kinderen. Vooral extraversie en welwillendheid waren belangrijk voor het ouderlijk opvoedgedrag, dat weer gerelateerd was aan probleemgedrag. Hiernaast was overreactief opvoedgedrag minder sterk aan probleemgedrag gerelateerd voor meer extraverte, welwillende, ordelijke, en vindingrijke kinderen.

Bron: Universiteit van Utrecht

Kinderen hebben gamen onder controle

85 procent van de kinderen vindt dat ze hun gamegedrag onder controle hebben, 3 procent vindt zichzelf gameverslaafd en 13 procent een beetje gameverslaafd. Dat blijkt uit onderzoek onder negenhonderd kinderen van 8 tot 14 jaar van het Jeugdjournaalpanel Jeugdpeil.
Verreweg de meeste kinderen gamen met vrienden die ze al kennen. Ruim 10 procent speelt wel eens tegen onbekenden op internet. Van hen heeft 12 procent ooit iets vervelends meegemaakt. De helft van de meisjes vertelt dit aan de ouders; jongens vertellen het meestal niet en doen ze dat toch, dan eerder aan vrienden dan ouders.
Gamen is niet goed voor je, zegt 40 procent van de kinderen, vooral omdat ze door het gamen minder buiten spelen. 25 procent vindt wel dat gamen goed is, want je zou er vrolijker en slimmer van worden. De verslaafde kinderen noemen gamen ‘gewoon te leuk’ en willen steeds een nieuw level bereiken.

Bron: NJI

Kans op tweede kind met autisme groter dan gedacht

Uit een groot Amerikaans onderzoek onder broertjes en zusjes met een oudere broer of zus met autisme, is gebleken dat de kans op een tweede kind met autisme binnen het gezin groter is dan gedacht. Uit de studie is gebleken dat de kans gemiddeld 18 procent is, terwijl dit voorheen werd geschat op 3 tot 10 procent.
Het onderzoek aan de Universiteit van Californië is uitgevoerd onder 664 kinderen jonger dan 3 jaar, met een oudere broer of zus met autisme. De kinderen waren aan het begin van de studie tussen de zes en acht maanden oud.
Voor het testen van de kinderen werd een speciaal voor autisme ontwikkelde tool gebruikt, waarmee de nonverbale en de verbale communicatie werden gemeten, maar ook de motoriek.
Bij 132 van de 664 kinderen die aan het onderzoek deelnemen, werd op 3-jarige leeftijd een stoornis in het autistisch spectrum vastgesteld. Van deze 132 kinderen kregen er 54 de diagnose autisme. De overige 78 kinderen bleken een aan autisme verwante stoornis te hebben.
Dat deze studie een hogere risicofactor laat zien dan eerdere onderzoeken, komt volgens de onderzoekers omdat er bij dit onderzoek andere criteria zijn gehanteerd. In dit eerste grote onderzoek naar autisme onder broers en zussen, werden de kinderen al gevolgd voordat de eventuele diagnose werd gesteld.
Volgens de onderzoekers zijn genen een belangrijke factor bij autisme, maar spelen ook andere niet-genetische factoren een rol. Die factoren zijn echter nog niet uitgekristalliseerd. Uit het onderzoek bleek wel dat bij gezinnen waar meerdere oudere kinderen met autisme voorkomen, er een verhoogd risico van zelfs 32 procent is op een volgend kind met autisme. Ook lopen mannen ook groter risico dan vrouwen. Dit laatste is ook in andere studies aangetoond.

Bron: Gezondheidsnet.nl / BBC op balansdigitaal.nl

Steeds meer kritiek op de DSM-V

zondag, augustus 14th, 2011 | Algemeen, Hulpverleners, Nieuws, Probleemgebieden | Geen reacties
Op 11 augustus 2011 publiceerde psy.nl een artikel over de toenemende kritiek van de DSM-V. Uit dit artikel wordt onderstaande overgenomen:

“Psychologen zouden meer afstand moeten nemen van de DSM, het classificatiesysteem van de psychiatrie. Dat vindt hoogleraar Klinische Psychologie Jan Derksen. De DSM mag slechts een bescheiden rol spelen in de psychologische diagnostiek. ‘Als een triangel in een orkest.’ Psychologen mengen zich op dit moment in de discussie over de totstandkoming van de DSM-5 en waarschuwen voor psychiatrisering van verdriet en pech. In juni sprak The British Psychological Society in een open brief haar grote bezorgdheid uit over het gemak waarmee psychische problemen als ‘ziekte’ of ‘stoornis’ worden gedefinieerd in de DSM-5. Huib van Dis, van het Nederlands Instituut van Psychologen, onderschreef de kritiek van zijn Britse collega’s in het dagblad Trouw. Jan Derksen, hoogleraar Klinische Psychologie aan de Radboud Universiteit, vindt het een verontrustende ontwikkeling dat de DSM in toenemende mate onderdeel uitmaakt van de psychologische praktijk. ‘Dat betekent een enorme verschraling van het rijke psychologisch-diagnostisch instrumentarium. Want let wel: met de DSM stel je geen diagnose, je classificeert een stoornis aan de buitenkant. Psychologische diagnostiek gaat veel dieper en kijkt ook naar de gezonde kanten van de cliënt, onderzoekt de levensloop en maakt gebruik van observaties en psychologische testen.’ Voor een deel krijgen psychologen de DSM opgedrongen, bijvoorbeeld door de afrekening van behandelingen in dbc’s, die gebaseerd zijn op de DSM-classificaties. Maar ook door de geprotocolleerde behandelpraktijk die vanuit DSM-categoriën is opgebouwd. En door de eisen die aan wetenschappelijk onderzoek worden gesteld. Derksen: ‘Je artikel wordt niet meer geaccepteerd als het onderzoek niet is gebaseerd op de DSM-classificatie’. Maar psychologen dienen ook de hand in eigen boezem te steken, vindt de hoogleraar. ‘Ze moeten zich veel kritischer verhouden tot de DSM en zich niet laten verleiden tot psychologisch reductionisme. De DSM moet slechts een bescheiden rol spelen in de diagnostiek. Vergelijk het met een triangel in een orkest.’ Derksen juicht de discussie over de DSM toe, die nu vanuit de psychologische beroepsgroep wordt aangezwengeld.”

Mijns inziens ben ik het eens met de heer Derksen. In de praktijk merk ik soms dat een conclusie van psychologisch onderzoek zich lastig laat classificeren in een categorie. Ook aan ouders is het heel belangrijk pom uit te leggen dat de DSM een classificatie systeem is. Dit betekent dat we bepaalde gedragingen clusteren binnen een diagnose. Persoonlijk vind ik de beschrijvende conclusie veel beter inzicht geven dan de DSM diagnose. Al vind ik het wel fijn dat de DSM-V straks geen onderscheidt meer maakt tussen de verschillende vormen van autisme, want het is soms nog lastig om met name de PDD-NOS en de Asperger van elkaar te onderscheiden. Wat betreft de kritiek op de persoonlijkheidsprobematiek, kan ik weinig aangeven, omdat ik met kinderen en jeugdigen werk.

Maken van een mindmap, nu nog eenvoudiger!

Al enige tijd ben ik geïnteresseerd in Mindmaps. Veel kinderen die ik begeleid vanuit de GGz vertellen mij dat ze van o.a. studiecoaches steeds vaker leren hoe je een mindmap kan maken. Op internet kun je veel methoden vinden, maar onlangs ben ik in contact gekomen met Maaike de Haan. Zij is kindercoach en gespecialiseerd in beelddenken en hoogbegaafdheid. Dit zijn termen die men steeds vaker gebruikt. De meningen zijn verdeeld of dit wel “labeltjes” zijn of niet.

Mijn interesse heeft het inmiddels gewekt en Maaike de Haan legt ook mooi uit dat mensen alleen hun linkerkant gebruiken wanneer je huiswerk maakt, planning maakt of notities maakt. Dit komt doordat in dit gedeelte o.a. logica, orde & patronen, woorden, theorie en kennis gelokaliseerd zijn. De rechterhersenhelft wordt veel meer gebruikt bij gevoel, verbeelding, beelden, ervaring en praktijk. Eigenlijk gebruiken mensen dus maar één hersenhelft. Het maken van een mindmap, of een overzicht tekening (zoals Maaike de Haan het noemt), kan helpen om beide hersenhelften te gebruiken. Een groot voordeel hiervan is dat je dingen beter kan herinneren, beter ideeën kan bedenken, je tijd nuttiger gebruikt, tijd besparing, je betere aantekeningen maakt en daardoor betere prestaties behaalt (De Haan, 2011).

Een programma dat kan helpen bij het maken van mindmaps is iMindMap van ThinkBuzan. Als proef op de som heb ik het programma gedownload. De trial en basisversie zijn gratis. Het is een fijn programma en voor kinderen heel leuk. Het ziet er aantrekkelijk uit en de bediening is heel simpel.
Er zijn meerdere programma’s beschikbaar. Via deze link vindt men een overzicht met meerdere programma’s.

Categorieën

Archief