Hulpverleners

Neurofeedback is niet effectief bij AHDH

donderdag, mei 26th, 2016 | ADHD, Hulpverleners, Nieuws | Geen reacties

Neurofeedback is geen effectieve aanpak van ADHD-symptomen. Dat blijkt uit onderzoek waarop Tieme Janssen op 25 mei promoveerde aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Janssen vergeleek de behandeling van ruim honderd 7- tot 13-jarigen met ADHD. 31 kinderen kregen neurofeedbacktherapie, 31 kinderen slikten methylfenidaat, een veelgebruikte medicijn tegen ADHD-symptomen en een controlegroep van 34 kinderen kreeg een sporttraining.

Omdat methylfenidaat omstreden is en niet of onvoldoende effectief is bij een derde van de kinderen is er veel belangstelling voor alternatieve behandelingen bij ADHD. Bij neurofeedback proberen kinderen het functioneren van hun hersenen te beïnvloeden met behulp van een computerspel. De hoop was dat daardoor ook hun gedrag zou veranderen.

Uit het onderzoek blijkt dat neurofeedback, net als sport, niet effectief is, in tegenstelling tot medicatie. Janssen vond wel een effect van neurofeedback op de hersenenactiviteit, maar niet op het gedrag van de kinderen in de schoolklas.

Bron: Vrije Universiteit Amsterdam, verkregen via NJI

Meer ‘knooppunten’ in brein van jongeren met autisme

Jongeren met autisme hebben bijzonder veel knooppunten van zenuwcellen in hun hersenen, zo blijkt uit nieuw onderzoek. Normaal gesproken verdwijnt ruim de helft van deze zogenoemde synapsen aan het einde van de kindertijd door een proces dat pruning wordt genoemd. Bij jongeren met autisme wordt echter gemiddeld slechts 16 procent van deze hersenverbindingen ‘gesnoeid’. Dat melden onderzoekers van Columbia University in het wetenschappelijk tijdschrift Neuron. De wetenschappers bestudeerden de hersenen van dertien jongeren met autisme die waren overleden op een leeftijd tussen de 13 en 20 jaar. Ter vergelijking werd de hersenen onderzocht van twintig overleden jongeren die geen autisme hadden. Het verschil in het aantal synapsen aan het einde van de kindertijd was volgens hoofdonderzoeker David Sulver zeer opvallend. “Het is voor het eerst dat iemand een gebrek aan pruning heeft ontdekt tijdens de ontwikkeling van kinderen met autisme”, verklaart hij op de nieuwssite van Columbia University.   “Hoewel mensen meestal denken dat er nieuwe hersenverbindingen moeten worden gevormd als we iets leren, is de verwijdering van ongebruikte synapsen waarschijnlijk net zo belangrijk.” Veel synapsen in het brein van autistische jongeren blijven waarschijnlijk onaangetast, omdat een overactief eiwit met de naam mTOR het ‘snoeiproces’ verstoort. Uit onderzoeken bij muizen met een vorm autisme bleek dat pruning kan worden aangewakkerd door de dieren medicijnen toe te dienen die de aanmaak van mTOR onderdrukken. Veel autistisch gedrag van de dieren verdween als gevolg van de behandeling. Het is nog onduidelijk of een eenzelfde soort medicijn ook bij mensen zou kunnen werken. Maar de wetenschappers hopen dat een vergelijkbare behandeling ooit kan worden gebruikt om bepaalde symptomen van autisme te onderdrukken

 

bron: NU.nl d.d. 22-08-2014

Neurofeedback voor adolescente jongens geen aanvullende waarde

Uit onderzoek blijkt dat neurofeedback geen aanvullende waarde heeft op de huidige standaardbehandeling -medicatie en/of gedragstherapie- bij adolescenten met ADHD. Is het mogelijk om gedrag te verbeteren door het trainen van hersenen met behulp van neurofeedback bij adolescenten met ADHD? Neurofeedback is een niet-farmacologische interventie die wordt aangeboden met als doel ADHD-klachten te verminderen. In het huidige onderzoek is de aanvullende waarde van neurofeedback op de huidige standaardbehandeling -medicatie en/of gedragstherapie- bij adolescenten met ADHD onderzocht.

Voor het onderzoek zijn bij meerdere GGz instellingen (GGzE, GGz Breburg and de Reinier van Arkel Groep) mannelijke adolescenten (12-24 jaar) met een diagnose ADHD geworven. Door middel van loting zijn de adolescenten verdeeld om al dan niet neurofeedback te krijgen. Voorgaande studies indiceren dat in vergelijking met jongeren zonder ADHD, jongeren met ADHD relatief meer ‘langzamere’ hersenengolven (theta) laten zien en minder ‘snellere’ hersengolven (SMR). Deze hersengolven kunnen beiden gerelateerd worden aan aandacht. Het doel van de training was daarom om de theta activiteit te verminderen en de SMR activiteit te stimuleren, in ongeveer 37 trainingssessies van 30 minuten. Na de trainingsperiode werden de 45 adolescenten die neurofeedback kregen vergeleken met 26 adolescenten die de training niet kregen.

Er is geen aanvullende waarde van neurofeedback gevonden op gedrag of cognitie bij adolescenten met ADHD. De adolescenten die neurofeedback kregen waren na de trainingsperiode evenveel op gedragsvragenlijsten en cognitieve taken verbeterd als de adolescenten die de training niet als aanvulling op de standaardbehandeling hadden gekregen. De huidige resultaten ondersteunen daarmee niet het gebruik van theta/SMR neurofeedback als aanvullende behandeling op standaardbehandeling om blijvende verbeteringen in gedrag of cognitie van adolescenten met ADHD te bewerkstelligen. Deze multicenter studie is een samenwerking tussen de GGzE en Tranzo/Tilburg University.
Het project wordt gefinancierd door ZonMw.

bron: website Tilburg University

De DSM-IV geeft een verkeerd beeld van depressie

donderdag, oktober 4th, 2012 | Hulpverleners, Nieuws | Geen reacties

Het hele begrip depressie moet op de helling, concludeert psychiater Didi Rhebergen in haar proefschrift. De huidige DSM biedt geen goed uitgangspunt voor diagnose en behandeling. Zij stelt een ‘stageringsmodel’ voor zoals gebruikelijk is in de oncologie. In de DSM IV wordt onderscheid gemaakt tussen een kortdurende depressieve stoornis en een langdurige dysthyme stoornis. Ook beschouwt het classificatiesysteem angst en depressie als twee verschillende aandoeningen. De nieuwe DSM-5, die mogelijk voorjaar 2013 uitkomt, voegt beide depressieve stoornissen samen en maakt alleen verschil tussen een chronische en een niet-chronische depressie. In een aantal epidemiologische studies onderzocht Rhebergen, die op 1 oktober 2012 aan de Vrije Universiteit promoveert, of deze nieuwe indeling beter is dan de oude. Zo keek ze bij deelnemers aan de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA) of ze op biologische kenmerken verschilden. Dat bleek niet zo te zijn. Wel hebben patiënten met een langdurige depressie een ander psychologisch profiel: ze zijn neurotischer en minder consciëntieus dan mensen met een kortdurende depressie.
WaardeUit een studie onder 318 Australische patiënten bleek dat ze alleen in de ernst van de depressieve symptomen van elkaar verschilden. En in een kleinere studie van 41 patiënten die allemaal voldeden aan de diagnose dysthyme stoornis, kwam naar voren dat geen van de deelnemende psychiaters die diagnose stelde. Dat roept de vraag op wat de waarde is van de huidige DSM IV classificatie.
Een twee jaar durende beloopstudie onder 804 patiënten van NESDA wees uit dat ze alleen verschilden in ernst en duur van de symptomen. Opvallend was dat meer dan de helft van de mensen die de diagnose dysthyme stoornis of ‘dubbele depressie’  hadden gekregen, anders dan gedacht in de categorie ‘gunstig beloop ‘ vielen. Volgens de huidige DSM hebben die patiënten namelijk een slecht beloop. Onder een dubbele depressie wordt een combinatie van een langdurige en een kortdurende depressie verstaan. Dat doet de vraag rijzen of de huidige DSM wel een goede voorspeller is voor het beloop van een depressie. Nader onderzoek leerde dat een hogere leeftijd, een depressie die vroeg in het leven ontstaat en een introvert karakter wel een slecht beloop voorspelden. Datzelfde geldt voor angst. De DSM-5 stelt voor om ‘paniek’ een belangrijke rol toe te kennen bij alle psychopathologie. In het geval van depressieve stoornissen blijkt dat volgens Rhebergen ook inderdaad te kloppen: paniek is van grote invloed op zowel het ontstaan en het beloop van een depressie als op het dagelijks functioneren van patiënten. Ook overlappen angst en depressie elkaar goeddeels.
De promovenda concludeert dat de huidige DSM classificatie hoognodig aan revisie toe is. In het stageringsmodel waar zij voor pleit, kent een depressie net als kanker meerdere stadia. Bij longkanker kijkt de specialist naar de grootte van de tumor en hoeveel uitzaaiingen er in de lymfeklieren of elders in het lichaam zitten. Dat bepaalt het stadium van de kanker, en zodoende de behandeling en de prognose. Analoog daaraan beslist de psychiater, afhankelijk van de ernst en de duur van de depressieve en angstklachten, hoe te handelen. ‘Zo kunnen we mensen die een groot risico lopen op een slecht beloop eerder identificeren. Daardoor zijn we in staat sneller in te grijpen en voorkomen we dat een depressie chronisch wordt’, aldus Rhebergen.

 

Bron: psy.nl, d.d. 04-10-2012

Het aftellen naar publicatie van de DSM-5 is begonnen

zondag, augustus 19th, 2012 | Algemeen, Artikelen, Hulpverleners | Geen reacties

In mei 2013 moet de DSM-5 dan eindelijk gaan komen. Er is inmiddels al een heleboel om te doen geweest te zijn. Psychiaters, psychologen en onderzoekers wedijveren om de concepten zoals ze opgenomen gaan worden in de DSM-5. Voor een eigen case studie merkte ik al dat het heel belangrijk is dat de concepten kloppen. Na 30 jaar worden nu alle psychiatrische stoornissen onder de loep genomen. Er wordt kritisch gekeken of criteria nog wel kloppen. Zo gaat PTSS veranderen, omdat er nu veel PTSS diagnoses worden gesteld bij mensen die zelf geen trauma gezien hebben of meegemaakt hebben. Dat kan straks niet meer. Ook gaan alle verschillende soorten autisme eruit en worden de criteria strenger. Over het algemeen zullen de criteria dus strakker en strenger worden, zodat er betere diagnostiek bedreven kan worden. Tenminste, dat is het uitgangspunt. In de praktijk moet de DSM-5 zich nog moeten gaan bewijzen. Persoonlijk vind ik het erg sterk dat de DSM met zijn tijd meegaat. De APA wil er naar gaan streven dat het nieuwe handboek zowel in gedrukte vorm als in een digitale vorm gepubliceerd wordt. Dit digitale document kan regelmatig geüpdate worden tot versie 5.1 of 5.2. Dit is ook de reden dat de DSM-5 gekozen heeft voor Arabische cijfers in plaats van Romeinse cijfers. APA nodigt hierbmee psychiaters ook uit om meer gedetailleerde informatie te verzamelen over symptomen van een een patiënt. Als een psychiater over meer data beschikt die hij bij zijn beoordeling kan betrekken en de beschrijvingen in het handboek uitgebreider zijn is er een grotere kans dat hij een correcte match vindt tussen een patiënt en een aandoening, aldus de samenstellers.

Er zullen nog twee grote veranderingen plaatsvinden. De eerste is er eentje met een arbitrair karakter. Met de DSM-5 zal men ook de ernst moeten inschatten van de symptomen. Bij ADHD moet de aandachtsproblemen op een aparte schaal gescoord moeten worden van ‘zeer slecht’ tot ‘uitstekend’. Hiermee worden psychiatrische diagnoses dus meer op een dimensie geplaatst in plaats. Het arbitraire zit hem volgens artsen in het feit dat de verschillende vormen van autisme nu binnen een verzamelcategorie worden geplaatst en daarbinnen dus de ernst. Men zou – ten onrechte – de illusie kunnen wekken dat Stoornis van Asperger minder ernstig is dan een Autistische Stoornis, omdat mensen met Stoornis van Asperger doorgaans betere ontwikkelingskansen heeft. Hiermee vergeet men wel hun handicap. Ten tweede vrezen artsen dat zorgverzekeraars minder behandelingen gaan vergoeden en dat de zorgverzekeraars eisen gaan stellen aan bepaalde criteria van ernst.
Een tweede grote verandering is dat de DSM-5 stoornissen anders gaat clusteren dan in de DSM-IV. In de DSM-IV werden stoornissen geclusterd in drie categorieen, namelijk:

  1. klinische ziekten, zoals depressie, bipolaire stoornissen en schizofrenie
  2. persoonlijkheids- en ontwikkelingsstoornissen
  3. medische problemen die een rol kunnen spelen.

In de DSM-5 wordt deze indeling afgeschaft en worden stoornissen chronologisch geordend. Allereerst zullen aandoeningen bij baby’s en jonge kinderen beschreven, vervolgens gaat dit door via de adolescentie naar stoornissen die vaker bij volwassenen voorkomen. Zo kan men zich dus beperken tot bepaalde delen van de DSM-5.

Tot slot moet men er wel rekening mee blijven houden dat de DSM geen volmaakte weerspiegeling biedt van psychische kwalen, maar met de herziene editie wordt het beeld weer een beetje helderder en daarmee ook het begrip van de menselijke psyche.

Sociale media hebben voor- en nadelen op school

Sociale media bieden nieuwe kansen voor het onderwijs, maar kunnen ook leiden tot cyberpesten. Dat schrijft minister Marja van Bijsterveldt van Onderwijs in de jaarlijkse Kamerbrief over veiligheid in het onderwijs.De brief is gebaseerd op de landelijke socialeveiligheidsmonitoren in het onderwijs en op onderzoek van de Onderwijsinspectie. Sociale media bieden kansen voor laagdrempelig contact tussen leerlingen en docenten. Docenten kunnen bijvoorbeeld via Twitter vragen over huiswerk delen met de hele groep. Sociale media hebben echter ook een keerzijde. Zo wordt ongeveer 4 procent van de 9- tot 16-jarigen herhaaldelijk via internet gepest.Positief is dat volgens de Kamerbrief ruim 90 procent van de leerlingen en personeelsleden op basisscholen, middelbare scholen en in het mbo zich veilig voelt. Ook nemen spijbelen, wapenbezit, drugsgebruik en geweld verder af binnen het mbo, blijkt uit de onderzoeken.

Bron: Nieuwsbrief NJI d.d. 23-05-2012

Van ADHD’er tot junkie

Meer geld binnenhalen voor onderzoek naar verslaving onder jongeren, veroorzaakt door ADHD. Dat is wat de stichting ICASA wil bereiken met de nieuwe crowdfunding-campagne ‘Maak je ook druk om verslaving bij ADHD’. Geurt van de Glind, onderzoeker bij ICASA, vertelt waarom er meer geld moet komen: “We weten te weinig over hoe de aandoening in elkaar steekt, terwijl er wel veel jongeren zijn die allerlei problemen krijgen door de symptomen ervan.”

Het verhaal van de 16-jarige Pascal Keijzer uit Hoogkarspel is onderdeel van de campagne. Op 30 april 2007 werd hij door een drugsdealer om het leven gebracht. Pascal had ADHD. Al op zijn 11e waren bij Pascal de symptomen van de stoornis aanwezig, terwijl de ouders van Pascal hier geen idee van hadden. Vader Jack Keijzer: “Hij raakte van slag, werd om niks boos, en wij begrepen er niets van.”

Pas toen Pascal 13 was en een aangrijpende zelfmoordbrief had geschreven, constateerde een psychiater dat hij leed aan ADHD. Keijzer: “Pascal bleef daardoor achter op school. Hij zei eens tegen me: ‘Pa, ik wil het wel goed doen, maar ik kán het niet’.” Zijn zoon kreeg vanaf die tijd Ritalin voorgeschreven, maar stopte met het gebruik van dit medicijn, zonder dat zijn ouders dit wisten. Keijzer: “Pascal werd steeds ongelukkiger en voelde zich onbegrepen. Om van dat vervelende gevoel af te komen, ging hij drugs gebruiken. Met als gevolg dat hij verslaafd werd en in de drugsscene belandde. Dat werd hem fataal.”
Pascals geval is volgens Van de Glind het worstcasescenario, als het gaat om ADHD en verslaving. “Maar in onze jeugdgevangenissen zitten wel degelijk kinderen vast, die door dit ziektebeeld in de criminaliteit zijn beland.” joost van der wegen

www.icasa-crowdfunding.org

 

Bron: Metro Nieuws, d.d. 09-05-2012

Lettertype Dyslexie: lettertype biedt uitkomst voor dyslectische kinderen

Al jaren wordt er onderzoek gedaan naar leesstoornissen en welke interventies er wel en niet werken. Recent is er een nieuw lettertype ‘Dyslexie’ genaamd, die dyslectische mensen moet helpen bij het lezen. Het lettertype is ontworpen door Christiaan Boer die zelf dyslectisch is.

Dyslexie kenmerkt zich in problemen met het lezen en schrijven. Men heeft moeite om het verschil te horen tussen klanken als m en n; p, t en k; s, f en g; eu, u en ui. Ook worden klanken vaak verwisseld, zoals  ‘dorp’ en ‘drop’ of ’12’ en ’21’, het zogeheten spiegelen. Tevens gaat het inprenten van reeksen, bijvoorbeeld tafels of spellingsregels. Bij het lezen valt op dat sommige kinderen heel traag lezen en andere weer heel snel, maar dan wel met relatief veel fouten. Bij het schrijven valt vaak het onleesbare handschrift op en bij spelling heeft men moeite om de spellingsregels goed toe te passen (Steunpunt dyslexie).

Wanneer dyslecten teksten lezen, zakt de moed hun vaak in de schoenen vanwege de grote tekstblokken. De regels zijn vaak lang, waardoor kinderen ‘verdwalen’ in de tekst of overzicht kwijt raken op de pagina. Tevens zijn veel teksten uitgevuld op de pagina, waardoor alle regels op elkaar lijken en een dyslect dus geen herkenningspunten meer heeft  (www.studiostudio.nl). Dit heeft Christiaan Boer er toe gedreven om verder na te denken over hoe dit probleem aangepakt kan worden.

De grootste verschillen tussen traditionele lettertypes en het lettertype Dyslexie is dat het zwaartepunt van de letter laag ligt, waardoor de kletter niet snel ondersteboven gedraaid zal worden. Daarnaast zijn de openingen van de letters groter, waardoor de vorm van de letters verduidelijkt worden en ze zo minder op elkaar lijken. Ook de hoogte van sommige letters is vergroot, zodat ze minder op elkaar letten. Sommige letters zijn iets schuin gezet op basis van de geschreven letters. Ook hierdoor worden de verschillen ten opzichte van elkaar groter. Ook letters die veel op elkaar lijken zijn ten opzichte van elkaar veranderd door bijvoorbeeld een langere stok of staart te krijgen. Door de verschillende hoogtes van letters, krijgt elke letters zijn eigen karakter waardoor ze minder op elkaar lijken. Ook de ruimte tussen letters en woorden is groter zodat ze de ruimte hebben (www.lexima.nl). Door hier te klikken kan men enkele voorbeelden zijn van het lettertype.

Dyslexie
Andere algemene tips die goed werken voor kinderen met dyslexie is om een stuk tekst op te delen in meerdere alinea’s en de tekstkolommen niet breder te maken dan 6 à 9 woorden. Het opdelen in kolommen met genoeg ruimte tussen de kolommen kan dus ook helpen. In plaats van tekst uitvullen is het wenselijk om de tekst links uit te lijnen (studio studio).

De universiteit van Twente heeft in 2010 onderzoek gedaan of dit lettertype inderdaad dyslectische kinderen helpt bij het lezen. Er hebben 21 dyslecten  en 22 normaal lezende studenten deelgenomen aan het onderzoek. Ze hebben de Een-Minuut-Test en de Klepel twee keer gelezen. Eén keer in het lettertype Arial en één keer in het lettertype Dyslexie. Hypothesen in dit onderzoek waren:

1) de leessnelheid bij dyslecten zal toenemen
2) de accuratesse bij dyslecten neemt toe
3) de leessnelheid van niet-dyslecten neemt toe
4) de attitude van de deelnemers naar het lettertype dyslexie is positief.

De resultaten op basis van dit onderzoek leverde geen significant verschillen op voor de leessnelheid, maar er waren wel enkele positieve en negatieve effecten gevonden voor de accuratesse. Enkele specifieke leesfouten verminderen, terwijl andere toenemen. Over het algemeen werden er bij de groep dyslecten minder fouten gemaakt wanneer er werd gelezen met het lettertype Dyslexie. Wat betreft de attitude blijkt dat de dyslecten positief zijn over het lettertype. Op de vraag of ze het ook wilde gaan gebruiken werd ongeveer even vaak positief als negatief gereageerd. Mogelijk speelt hierbij een rol dat anderen dit lettertype niet gebruiken of niet mogen (Leeuwen, 2010).

Concluderend, dit nieuwe lettertype kan dus uitkomst bieden. Er moet nog een PR-offensief komen, zodat dyslecten ook daadwerkelijk dit lettertype gaan hanteren. Via Studio Studio is het lettertype te bestellen.

 

ADHD zichtbaar in de hersenen

Het is lastig om de diagnose ADHD te stellen, het gaat tenslotte om gedragsproblemen. Onderzoekers hebben nu echter afwijkingen in de hersenen van kinderen met ADHD ontdekt.
Deze ontdekking kan in de toekomst wellicht bijdragen aan het stellen van de diagnose. Op die manier zal het minder vaak voorkomen dat kinderen onterecht de diagnose ADHD krijgen, of dat kinderen met ADHD niet gediagnosticeerd worden.
HersenactiviteitMet behulp van een MRI-scan hebben onderzoekers van het Albert Einstein College of Medicine in New York de hersenen van 36 kinderen tussen de 9 en 15 jaar in kaart gebracht. De helft van deze kinderen had de diagnose ADHD. De onderzoekers vergeleken de hersenactiviteit van de kinderen tijdens het uitvoeren van verschillende taken.
Bij de kinderen met ADHD was de hersenactiviteit in verschillende hersengebieden anders. Het betrof vooral gebieden betrokken bij de verwerking van visuele informatie die aandacht vraagt. Ook was de communicatie tussen verschillende hersengebieden bij de kinderen met ADHD verstoord.
Concentratieproblemen”Onze resultaten laten zien dat kinderen met ADHD andere hersengebieden gebruiken om bepaalde informatie te verwerken.”, aldus onderzoeker Xiaobo Li. “Wellicht is dit de oorzaak van de problemen die de kinderen ervaren.” Volgens Li lag de aandacht in het ADHD-onderzoek veel te sterk op de impulsiviteit. “De concentratieproblemen zijn net zo belangrijk.”
ADHD, Attention Deficit/Hyperactivity Disorder, is een van de meest voorkomende aandoeningen bij kinderen. Globale kenmerken van ADHD zijn: hyperactiviteit, problemen met aandacht, druk gedrag en impulsiviteit. De Gezondheidsraad gaat ervan uit dat in Nederland 2 procent van de kinderen tussen vijf en veertien jaar ADHD of een ADHD-aanverwante stoornis heeft. Dat zijn ruim 40.000 kinderen. Een dubbel aantal kinderen heeft minder ernstige stoornissen of niet alle symptomen van ADHD.

 

Bron: A. Hoogland, gezondheidsnet

De WISC-IV en WISC-V, bericht van Pearson

De WISC-IV zal niet in een Nederlandstalige bewerking uitgegeven gaan worden. In Nederland wordt gewacht op de uitgave van de Amerikaanse WISC-V en hiervan zal een Nederlandstalige bewerking ontwikkeld worden.

De reden hiervoor is dat indien nu de WISC-IV bewerkt zou worden, deze pas 3 jaar later op de markt zal verschijnen. In de US wordt momenteel al gewerkt aan de ontwikkeling van de WISC-V, wat zou betekenen dat de WISC-V-US en de WISC-IV-NL publicatie zo dicht bij elkaar liggen dat het meer zinvol is om de WISC-V ook voor het Nederlandstalig gebied te bewerken. Op die manier lopen we in Nederland qua theoretische onderbouwing en doorontwikkeling weer gelijk met de US. Om toch te zorgen dat er niet te lange tijd verstrijkt tussen de WISC-III-NL en de WISC-IV-NL is er nauwe betrokkenheid bij de ontwikkeling in Amerika en kan er zo vroeg mogelijk gestart worden met het bewerken van de WISC-V. Momenteel is er nog geen informatie over de WISC-V beschikbaar, omdat er nog geen definitieve versie is. De ontwikkeling in de US is gestart maar bevindt zich nu in de derde pilotfase. Hier in Nederland kunnen we pas starten als zij de standaardisatiefase ingaan.

Op het moment dat wij kunnen beginnen, duurt het nog minimaal 3 jaar voor de uiteindelijke publicatie plaatsvindt. Op zijn vroegst spreken we over 2016.

Bron: Pearson

Categorieën

Archief