Artikelen

Oproep: uitwisseling van ervaring met de WPPSI-III

zondag, september 19th, 2010 | Algemeen, Artikelen | 1 reactie

Sinds enige tijd is de WPPSI-III NL op de markt. De test is een verbetering ten opzichte van de ouder WPPSI-R, maar ook ik hoor de geluiden dat hij wat streng scoort en kinderen wat lager scoren. Ook zelf merk ik dit soms dat kinderen zeker 15 punten lager op Totaal IQ scoren dan ik verwacht. Ik ben benieuwd naar de ervaringen van anderen met de WPPSI-III NL.

Weer de zwarte piet naar Bureau Jeugdzorg

donderdag, augustus 12th, 2010 | Algemeen, Artikelen, Hulpverleners | 5 reacties

Afgelopen week waren er wederom negatieve berichten over het niet adequaat handelen van Bureau Jeugdzorg en het AMK. Een pedagogische medewerkster “ontvoerde” en 8-jarig jongetje uit zijn ouderlijk huis na herhaaldelijk om hulp vragen aan hulpverleningsinstanties waaronder Bureau Jeugdzorg. Inmiddels is het desbetreffende jongetje onder toezicht gesteld door Bureau Jeugdzorg. Meteen laait de discussie weer op of Bureau Jeugdzorg wel adequaat handelt in dit soort casussen. Ook worden er vraagtekens gezet of het handelen van de pedagogische medewerkster wel kan.

Uit de statistieken blijkt dat in 2007 in totaal 29.500 kinderen onder toezicht gesteld waren door jeugdzorg. Dat was al 41% meer dan in 2000. Er zijn meerder casuï in het nieuws geweest waarin er nalatigheid van Bureau Jeugdzorg verweten wordt, zoals bij Savannah en het Maasmeisje. Sindsdien is het voor Bureau Jeugdzorg nog lastiger geworden om gezinsvoogden te vinden. Hierdoor neemt de werkdruk op de huidige gezinsvoogden toe. Zoals in ieder beroep zijn er  kwalitatieve verschillen tussen werknemers, zo ook tussen gezinsvoogden. Er zijn gezinsvoogden die niet inlezen in dossiers (zoals enkele weken terug ook bleek uit een uitzending van Undercover Nederland), maar daarentegen zijn er ook hele betrokken voogden die zeer goed ingelezen zijn. Er zijn tevens genoeg voogden te vinden die goed luisteren naar alle betrokkenen om een kind heen en handelen vanuit het kind. Juist voor deze gezinsvoogden is het niet fair dat er alleen maar negatief over Bureau Jeugdzorg wordt geschreven.

Terugkerend naar de meest recente situatie waarin Bureau Jeugdzorg wederom nalatigheid wordt verweten. In de nieuwsmedia wordt er voornamelijk geschreven dat Jeugdzorg niet optrad waarom de gezinshulp het jongetje uit huis haalde. Helaas is het nog heel ingewikkeld, ook als Jeugdzorg, om een kind uit huis te laten halen. Gelukkig zijn die regels scherp, zodat er niet ten onrechte kinderen uit huis geplaatst worden. Hoe Jeugdzorg precies gehandeld heft in deze casus is moeilijk terug te vinden in het nieuws. Alleen negatief uitlaten over Bureau Jeugdzorg is daarom erg makkelijk. Of de gezinshulp terecht het jongetje uit huis haalde? Gezien de beelden, zoals bijvoorbeeld uitgezonden door RTL’s Editie NL, kan men goed invoelen waarom deze gezinshulp zo gehandeld heeft. Deze mevrouw lijkt met veel bevlogenheid haar taken te vervullen en haar verantwoordelijkheden daar dan ook in te nemen. Hopelijk zal het jongetje nu een plek krijgen waar hij zich goed kan ontwikkelen en zichzelf kan ontplooien. Hoe de discussie namelijk ook gaat en wie de zwarte piet ook krijgt toegespeeld, het belangrijkste zijn de kinderen waar de discussie overgaan. Kinderen hebben het recht op een veilige omgeving en voldoende ontwikkelingsmogelijkheden.

WISC-III NL: wel of niet aanschaffen

Er zijn meerdere mensen die mij benaderd hebben of het nog zinvol is om de WISC-III NL aan te vragen. Zoals in een eerder bericht te lezen is, heeft Pearson besloten om de WISC-IV niet meer uit te gaan brengen, omdat de WISC-V in Amerika al ontwikkeld gaat worden. Er is besloten om de WISC-V op de Nederlandse markt te gaan brengen. Het kan echter nog een behoorlijke tijd duren voor deze in Nederland aan te schaffen is. Eerst moet de Amerikaanse versie ontwikkeld en gevalideerd worden en vervolgens moet hij aangepast en genormeerd gaan worden voor de Nederlandse markt. Dit kan maanden dan wel paar jaar in beslag gaan nemen.  Of u de WISC-III NL nog aan moet schaffen is uw eigen keus, maar als u verwacht intelligentieonderzoek de komende maanden te gaan doen, dan is dit zeker de investering waard.

De WISC-IV niet in Nederland

Regelmatig krijg ik vragen over wanneer de nieuwe testen worden uitgebracht in Nederland. Na contact met Pearson is mij meegedeeld dat de WISC-IV niet in Nederland op de markt zal komen. Pearson heeft aangegeven dat ze de WISC-V zullen gaan uitbrengen. Na een zoektocht op het internet heb ik momenteel nog niets kunnen vinden over de WISC-V. Tevens heb ik aan Pearson nog enkele vragen gesteld. Zodra ik meer informatie heb, houd ik u via mijn site op de hoogte.

Nieuwe inzichten wat betreft ADHD

zaterdag, maart 6th, 2010 | ADHD, Algemeen, Artikelen, Hulpverleners | Geen reacties

Onlangs heb ik een boek gelezen over ADHD van Cathelijne Wildervanck (titel: ADHD, hoe haal je het uit je hoofd). Persoonlijk trok dit boek mij doordat Mw. Wildervanck schrijft dat zij altijd verder wil kijken en mede daardoor geïnteresseerd is in de wetenschap. In de wetenschap kijkt men steeds weer verder en komt men er achter dat eerdere bevindingen soms niet helemaal waar zijn. Gelukkig zijn er meer mensen zoals MW. Wildervanck, zoals Drs. Rosa van Mourik. Op 16 februari is zij gepromoveerd op de interferentiecontrole en afleidbaarheid in ADHD.

Zoals Van Mourik in haar proefschrift schrijft, zijn er veel toonaangevende theorieën over ADHD die aangeven dat er bij ADHD’ers sprake is van problemen in de cognitieve controle of de executieve functies. Van Mourik heeft in haar onderzoek getracht de onderliggende problematiek bij ADHD in kaart te brengen middels verschillende neurocognitieve taken. Tevens heeft ze de ERPs gemeten tijdens de taken. Van Mourik heeft twee groepen kinderen onderzocht: kinderen met en kinderen zonder ADHD. Van Mourik concludeert dat de verschillen in interferentie op de Stroop Kleur-Woord taak klein zijn tussen de twee onderzoeksgroepen. Tevens kunnen de kinderen met ADHD interfererende informatie even goed onderdrukken als kinderen zonder ADHD op visuele en auditieve interferentie taken waarbij de interfererende informatie in de stimulus geïntegreerd is. Zeer verrast is de conclusie dat kinderen met ADHD dat nieuwe geluiden de prestaties van deze kinderen doet verbeter. Hoewel de kinderen langzamer reageerden, reageerden ze wel op meer plaatjes dan tijdens de standaardtonen. Wel bleek de neurofysiologie wezenlijk anders te zijn bij kinderen met ADHD.

In de praktijk heb ik vaak kinderen met ADHD en hun ouders in mijn kamer die aangeven dat ze juist profijt hebben aan muziek op de achtergrond, terwijl ze op school heel snel afgeleid zijn door de geluiden van de andere kinderen in de klas. Het onderzoek van Van Mourik biedt hiervoor verklaringen. Echter, en dat is ook wat Van Mourik aangeeft, er blijft natuurlijk veel verschillen tussen kinderen met ADHD. Ieder kind met ADHD is weer anders en het is wel belangrijk om deze uniekheid en verschillen te onderkennen. Zeker voor de behandeling van deze kinderen!

Na wat research op het internet naar interferentiecontrole en ADHD, kwam ik nog een proefschrift tegen van Marieke Lansbergen. Zij heeft onderzoek gedaan of impulsiviteit zoals gemeten met gedragsvragenlijsten, te maken heeft met een slechte inhibitie controle. In de praktijk blijkt vaak dat er gedacht wordt dat mensen die impulsief zijn ook een slechte inhibitiecontrole hebben. Lansbergen concludeert dat de proefpersonen met ADHD minder interferentiecontrole laten zien op interferentietaken dan de proefpersonen zonder ADHD. Tot dusver dus overeenkomstig met de huidige inzichten. Vervolgens heeft Lansbergen bekeken of gezonde, hoog impulsieve proefpersonen inderdaad ook slechter scoren op inhibitiecontrole. Uit de resultaten bleek – verrassend – dat hoog impulsieve proefpersonen even goed of zelfs beter scoorden op de gedragstaken! Lansbergen concludeert dat de impulsiviteit van gezonde hoog-impulsieve mensen, anders is dan de impulsiviteit zoals gemeten met ADHD. Immers, de proefpersonen met ADHD (en dus impulsiviteit) scoorden wel slecht op de gedragstaken. Lansbergen probeert verklaringen te vinden voor het onverwachte resultaat. Zij oppert dat ten eerste de gedragstaken en de vragenlijsten mogelijk verschillende soorten impulsiviteit meten, ten tweede geeft zij aan dat mogelijk de subjectieve weergave op de gedragsvragenlijst ten dele representatief is voor de werkelijke impulsiviteit, ten derde kan de bewustwording (dat zij van zichzelf weten dat ze impulsief kunnen zijn) van gezonde proefpersonen een rol gespeeld hebben in de motivatie om goed te presteren op de gedragstaken. Een vierde verklaring kan zijn dat andere factoren – anders dan inhibitiecontrole – een rolspelen bij de resultaten in de ADHD-groep zoals aandachtsproblemen.

Zoals uit de onderzoeken van Van Mourik en Lansbergen blijkt, is het goed dat er in de toekomst nog veel onderzoek gedaan wordt naar impulsiviteit, inhibitie, interferentie en ADHD. In de “buitenwereld” zijn er vele prikkels en afleidingen. Nog beter inzicht hoe de verwerking van dit alles bij ADHD verloopt is wenselijk, met name voor de behandeling van ADHD.

DSM-V

donderdag, februari 18th, 2010 | Algemeen, Artikelen, Hulpverleners, Probleemgebieden | 2 reacties

Afgelopen vrijdag berichtte de NRC Next over de nieuwe DSM-V. Er wordt al zo’n 10 jaar gediscussieerd over de nieuwe editie van de DSM. Er is momenteel een voorlopige versie van de DSM-V beschikbaar op het internet waar professionals hun mening kunnen geven. In mei 2013 hoopt de American Psychological Association, de beroepsvereniging van universitair geschoolde psychologen, de nieuwe DSM te publiceren.

Er is al bekend dat er binnen de kinderpsychiatrische stoornissen een nieuwe stoornis zal verschijnen, te weten een Temperament-disregulatie met disforie. Deze stoornis kenmerkt zich door buiten proportionele uitbarstingen op gewone stressoren. Deze uitbarstingen komen drie keer per week of vaker voor. Tussen de uitbarstingen door is de stemming over het algemeen negatief. Een andere grote verandering die erg veel stof doet opwaaien is het komen vervallen van de verschillende autisme-spectrumstoornissen zoals de stoornis van Asperger, PDD-NOS, stoornis van Rett en desintegratiestoornis in de kinderleeftijd. In de DSM-V zullen deze allen geschaard worden onder autisme-spectrumstoornissen. Veel psychiaters vinden dit een goede ontwikkeling, omdat in de praktijk de ziektebeelden elkaar overlappen. Dr. Grinker (antropoloog) heeft een mooi betoog geschreven waarin hij duidelijk probeert te maken dat er een grote diversiteit is binnen het autisme spectrum. Deze nieuwe indeling brengt dus nogal wat discussie te weeg. Naast deze veraderingen komen er meer stoornissen bij, verdwijnen andere stoornissen of worden onder gebracht bij een andere categorie. Voor een uitgebreid overzicht inclusief cirteria klik hier

Welke titel voer je?

donderdag, januari 21st, 2010 | Algemeen, Artikelen, Hulpverleners | Geen reacties

Afgelopen week ontving ik een mailtje met daarin een brief van Drs. Yaron Kaldenbach. In deze brief wordt de discussie over titelvoering van psychologen aangehaald. Er ontstaat nogal wat verwarring over welke titel men nu neer moet zetten. Stagiaires psychologie ondertekenen verslagen met psycholoog i.o. en GZ-psychologen die in opleiding zijn tot klinisch psycholoog ondertekenen met klinisch psycholoog i.o. Dit schept verwarring: welke opleidingsniveau is er nu precies behaald? Maar waarom is deze titelvoering nu zo’n bezwaar?

Allereerst: hoe zit het precies met de titel psycholoog? Tot 1993 was dit een beschermde titel in Nederland. Dit betekent dat sinds 1993 iedereen zich psycholoog mag noemen. Hier schuilt natuurlijk een gevaar in. Als de buurman een bordje in zijn tuin zet met ‘ Psycholoog’ erop, betekent dit nog niet dat hij er voor gestudeerd heeft, bevoegd is om psychologische hulp te verlenen en of hij kwaliteit kan leveren. Bij het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) heeft men daarom een aanvullende titel Pscyholoog NIP in het leven geroepen voor personen die een universitaire studie hebben afgerond en een specialisatie dan wel minimaal een jaar werkervaring hebben. Deze titel is een soort waarborg dat de persoon wel degelijk kennis en kwaliteit in huis heeft en tevens lid is van de beroepsvereniging van het NIP zodat er bij misstanden ook een klacht ingediend kan worden.

Dan terugkerend naar het onderwerp met welke titel psychologen brieven moeten ondertekenen. In de beroepscode van het NIP staat het volgende: ” De psycholoog is nauwgezet bij het vermelden van zijn opleiding en kwalificaties, ervaring, deskundigheid en titels. Hij vermeldt deze uitsluitend wanneer zij relevant zijn” . Dit geeft nog wel enige vrijheid in of men dus de behaalde titel neerzet of de titel welke de psycholoog beoogt te behalen. In 2005 is er nog een supervisor berispt en voorwaardelijk geschorst geweest, omdat een stagiaire een rapport ondertekend had met ‘ psycholoog i.o. Het NIP heeft dit zwaar opgenomen. Denkbaar is dat het NIP juist door de onbeschermde titel van psycholoog kwaliteit wil leveren naar de clienten. Ook het voeren van de titel GZ-psycholoog zonder Big-registratie zien zij als een grove misleiding. Het advies van Drs. Y. Kaldenbach is dan ook op geen ‘ i.o.-titels’  te voeren maar te kiezen voor de titel die je bent met als eventuele aanvulling waarvoor men in opleiding is, dus: psycholoog/i.o. tot gedragstherapeut.

Herkansing voor ontspoorde kinderen

Afgelopen donderdag was de start van Prem’s nieuwe programma. Vorig jaar hielp Prem nog kinderen uit groep 8 door de Cito periode heen. In zijn nieuwe programma ‘ De Herkansing’ (elke donderdag op Nederland 1 van 22.25 uur tot 23.00 uur) gaat Prem bij gezinnen langs waar een jongeren tussen de 12 en 17 jaar een zooitje van hun leven maken, zoals Ieteke in de eerste aflevering. Prem heeft een nogal directe manier van aanpak welke voor Ieteke goed uitpakte. Prem opent deuren die tot dan toe gesloten waren voor Ieteke en haar moeder. Door zijn directe aanpak lukt het Prem om weer een stukje positiviteit in Ietekes leven te brengen.

In de eerste aflevering, en waarschijnlijk ook in de volgende aflevering, wordt nog eens benadrukt hoe de jeugdhulpverlening en alle betrokken instanties traag werken en falen. Uit de reacties op de eerste uitzending blijkt ook veel boosheid en verdriet van jongeren en ouders die hetzelfde mee hebben gemaakt. Het is mooi dat de jongeren in het programma van Prem een herkansing krijgen en dat Prem meer voor elkaar krijgt dan alle andere betrokkenen. Aan de andere kant rijzen vragen als: hoe loopt dit verder in de toekomst? Hoe gaat het de jongeren af als Prem niet met zijn directe aanpak er is? Zijn deze gezinnen, zoals ook bij Ieteke, niet gebaat aan systeemtherapie en meer begeleiding voor het gezin als geheel in plaats van alleen moeder of alleen Ieteke? Deze vragen worden niet beantwoord. Misschien is het een goed idee om later nog een terug te keren bij de jongeren om te kijken of de aanpak van Prem gewerkt heeft?

Mindmap: een efficiënte manier om sneller te leren?

De laatste paar jaar wordt er steeds vaker onderzoek gedaan naar efficiënter leren waardoor mensen nog gemakkelijker kunnen leren. Eén van de nieuwste rages is ‘mindmapping’. Een mindmap is een soort grafisch schema, waarin aan een centraal onderwerp verwante bijzaken en concepten worden gekoppeld. Een mindmap zou bij het studeren helpen details van hoofdzaken te onderscheiden en informatie logisch te ordenen in het geheugen (Wikipedia, 2009). In de jaren ’60 werden al de eerste mindmaps ontwikkeld en het belang ervan voor het geheugen. Tony Buzan, psycholoog en auteur, claimt de bedenker van het concept mindmap te zijn. Echter, door het ontbreken van een duidelijke theorie wordt Dr. Allan Collins vaak als grondlegger gezien. Dr. Allan Collins heeft samen met M . Ross Quillian het concept semantisch netwerk ontwikkelt en gebruikte hiervoor ook mindmaps (Wikipedia 2009).

Uit onderzoek is gebleken dat onze aandachtsspanne op een bepaalde onderwerp 5 tot 7 minuten is. Mindmapping speelt hier op in om zoveel mogelijk informatie te ordenen tijdens deze effectieve aandachtsspanne (Wycoff, 1991). Doordat het een breed begrip is is een mindmap voor veel verschillende doeleinden te gebruiken, zoals creatieve processen, probleem oplossingen bedenken, brainstormen en opbouwen van presentaties. De vraag blijft natuurlijk of het maken van een mindmap ook efficiënt is.
Paul Farrand, Fearzana Hussain en Enid Hennessy (2002) hebben onderzoek gedaan bij naar de effectiviteit van een mindmap voor een geschreven tekst bij 50 tweede en derde jaars studenten. Zij concludeerde dat een mindmap effectief is als studietechniek. Wel geven zij aan dat de techniek ook voor een betere motivatie zorgt. Ook Willis en Miertschin (2006) deden onderzoek naar de effectiviteit. Hun resultaten waren ook positief. Martin (2006) vergeleek het maken van mindmaps met drie andere visuele technieken, namelijk mapping, conceptuele diagrammen en visuele metaforen. Hij concludeerde dat alle technieken zorgen voor een verbeterde motivatie, aandacht, begrip en latere opdieping uit het geheugen. Op basis van deze onderzoeken zou men kunnen concluderen dat het maken van een mindmap goed het geheugen kan ondersteunen.

Referenties:
• Farrand, P., Hussain, F. & Hennessy, E., (2002). The efficacy of the `mind map’ study technique. Blackwell Science: Oxford
• Martin, E., (2006). A comparison between concept maps, mind maps, conceptual diagrams, and visual metaphors as complementary tools for knowledge construction and sharing, : Information Visualization, 5(3), 202-210.
• Wikipedia (2009), Mindmap, verkregen op18-11-2009 van http://nl.wikipedia.org/wiki/Mindmap
• Willis, C.L. & Miertschin, S.L., (2006). Mind maps as active learning tools. Journal of Computing Sciences, 21(4), 266 – 272.
• Wycoff, J., (1991). Mindmapping. Berkley Books: Detroit.

Internetverslaving: een serieus probleem?

Toen ik voor een nieuw artikel inspiratie op moest doen, heb ik aan wat vrienden gevraagd of zij nog een leuk onderwerp wisten. Bijna allemaal kwamen ze met het onderwerp internetverslaving. Zij redeneerde dat dit onderwerp erg dicht bij mij zou staan, omdat ik zelf graag op verschillende netwerksites ben of online spelletjes speel. Hoewel in eerste instantie ik zelf het niet een zodanig interessant onderwerp vond, heb ik toch eens wat onderzoek gedaan naar internetverslaving en hoe deze in onze samenleving verborgen zit.
Allereerst, wat is een verslaving precies? “Verslaving is een toestand waarin een persoon fysiek en/of mentaal van een gewoonte of stof afhankelijk is, zodanig dat hij/zij deze gewoonte of stof niet, of heel moeilijk los kan laten. Het gedrag van de persoon is voornamelijk gericht op het verkrijgen en innemen van het middel, of het handelen naar de gewoonte ten koste van de meeste andere activiteiten. Als het lichaam deze stof of gewoonte moet loslaten kunnen er ernstige ontwenningsverschijnselen optreden bij deze persoon” (Wikipedia, 2009). Verslaving is dus op te delen in een gewoonteverslaving (o.a. gok-, chat-, internet- en seksverslaving), Middelenverslaving (stimulantia, verdovende middelen of geestverruimende middelen) en geestelijk of lichamelijke verslaving. In de DSM-IV zijn criteria opgenomen zodat er de diagnose middelenafhankelijkheid vastgesteld kan worden. Er wordt dus in de DSM eigenlijk geen gewoonteverslaving opgenomen, maar volgens critici kan dit wel met enige creativiteit vastgesteld worden. Ook weet de gebruiker doorgaans dat op den duur de verslaving schadelijk voor hem of haar is, maar dat hij/zij dit toch niet kan laten staan. Drugs prikkelen de hersenen waardoor er geestelijke en lichamelijke effecten optreden. (Zondervan, 2006). Iedere vorm van verslaving heeft zijn eigen metabolische processen. Vaak is het zo dat een persoon die verslaafd is aan één stof ook gemakkelijk verslaafd raakt aan een ander. Bij een internetverslaving wordt er geen middel genomen die bepaalde hersenprocessen in gang zet. Er kan dan ook gezegd worden dat de verslaving niet de stof is, maar dat het in de gebruiker zit (Kalat, 2001, p. 427). In algemene zin kan gezegd worden dat het verslavingsproces afhankelijk is van de verslavende eigenschappen van het middel, de mate van beschikbaarheid en de individuele kwetsbaarheid. Bij deze laatste kan men denken aan vroege traumatische ervaringen of ongunstige psychosociale omstandigheden. Maar ook aanleg kan een rol spelen. (Zondervan, 2006).
Dan terugkomend op het onderwerp internetverslaving. De kenmerken en eigenschappen die in bovenstaande alinea staan, zijn ook van toepassing op de internetverslaving. Uit onderzoek blijkt dat er een hoge correlatie is met eenzaamheid, relatieproblemen, persoonlijkheidsstoornissen en depressie (Zondervan, 2006). In 2002 is er onderzoek gedaan door de Universiteit van Groningen naar internetverslaving onder studenten. Zij concludeerden dat studenten gemiddeld ruim 7 uur per week gebruik maken van het internet, met als voornaamste doel vrijetijdsbesteding en studiedoeleinden en mannen maken meer gebruik van internet dan mannen (respectievelijk 9 en 5 uur per week). Onder de groep van studenten ervoer 75% geen of geringe negatieve gevolgen van hun internetgebruik, 16% ervoer veel fysieke klachten als brandende ogen, muisarm en vermoeidheid, en zelfs 15% ervoer veel internetgerelateerde problemen als psychische, sociale en maatschappelijke problemen: 16% ervaart een grote eenzaamheid,12% een geringe gepercipieerde controle en 15% een laag zelfbeeld. Uit de onderzoeksgroep was 6% een excessief gebruiker zowel naar het aantal uren internetgebruik als in de internetgerelateerde problemen. Dit zijn dan met name eenzame mannelijke studenten met een geringe gepercipieerde controle. Het meest opvallend was dat uit de analyses geen duidelijk relatie is gevonden met zelfbeeld (Wegdam, 2002). Young (1998) heeft onderzoek gedaan naar internetverslaving onder volwassenen. Hieruit bleek dat 40% van de deelnemers gemiddelde internetbezoekers zijn, 52% als problematische teveelgebruikers en 7% als pathologisch verslaafd. Deze laatste twee groepen onderscheiden zich als meer neurotisch, minder extravert, meer sociaal angstig, emotioneel meer alleen en ze ervoeren meer steun van een internet sociaal netwerk dan de gemiddelde internetter.

Internet is niet weg te denken uit onze samenleving. Kinderen krijgen op de basisschool al onderwijs middels de computer en vaak zijn ze erg handig op het internet. MSN Messenger is erg populair onder tieners en jongeren. Voor hen is het een zeer belangrijke manier om te communiceren en contacten te onderhouden. Het blijkt zelfs dat MSN voor meisje meer verslavend is dan voor jongens. Compulsief internetgebruik leidt bij jongeren tot depressieve klachten en tot verslechtering van de schoolprestaties én tot gevoelens van sociaal isolement (Zondervan, 2006). Uit onderzoek blijkt dat ruim 3% van de eerste- en tweede klassers in het Voortgezet Onderwijs verslaafd is aan het internet (IVO, 2006). Het lastige van deze problematiek is dat jongeren vaak de computer nodig hebben voor hun school. Vervolgens is het vaak lastig voor ouders om precies na te gaan waar ze mee bezig zijn. Er bestaan gelukkig wel software programma’s waar ouders meer toezicht kunnen houden, bijvoorbeeld MyBee van Mijn Kind Online.
Als samenleving moeten we goed onze kinderen in de gaten houden wat betreft internetgebruik. Compulsief en overmatig gebruik heeft grote implicaties voor de toekomst van de jongeren!

Bron:
• IVO: Nieuwe resultaten compulsief internetgebruik jongeren. Verkregen op 05-11-2009 van http://mijnkindonline.web-log.nl/mijnkindonline/2008/11/nieuwe-resultat.html
• Kalat, J.W., (2001). Biological Psychology 7th ed. Canada: Wadsworth.
• Wegdam, H.G., (2002). Groningse studenten slaaf van internet? Een onderzoek naar excessief internetgebruik onder studenten aan de Rijksuniversiteit Groningen. Scriptie Rijksuniversiteit Groningen.
• Wikipedia: Verslaving. Verkregen op 05-11-2009 van http://nl.wikipedia.org/wiki/Verslaving
• Young, K. (1996) ‘Internet addiction: The emergence of a new clinical disorder’ CyberPsychology & Behavior, 3, 237-244.
• Zondervan, T. (2006). Zucht Verlichting.: Marktverkenning in de verslavingszorg. Scriptie Erasmus Universiteit.

Categorieën

Archief