Artikelen

Blog: hoogbegaafdheid, 6 jaar en dan al naar de brugklas

Moniek Coorn-Baaij : 3 december 2016 16:17 : Algemeen, Artikelen

SIndekort schrijf ik voor mijn werkgever, dokter Bosman, blogs over mijn werk en interesses. Afgelopen week is de eerste blog over hoogbegaafdheid online gegaan.

Begin november kwam de Belgische zeer hoogbegaafde Laurent in de media. Het wonderkind met een IQ van 145 zal al op zijn zesde naar de brugklas gaan. Hij heeft een grote interesse in beta-vakken en volgde afgelopen zomer een extra cursus aan de Amerikaanse Stanford University. Laurent past perfect binnen de theorie over hoogbegaafdheid van de Amerikaanse psycholoog Renzulli en de Duitse ontwikkelingspsycholoog Mönks.

Wonderkinderen
Laurent is niet het enige wonderkind dat ‘versneld’ zijn school heeft afgerond. Ook Erik van den Boom (bekend van de Wereld Draait Door) deed al op 13-jarige leeftijd eindexamen gymnasium. Hij sloeg op de basisschool een klas over en voltooide de eerste vier jaar van het gymnasium in één jaar. Ook won Erik de ‘Wynand Wijnenprijs 2011’ voor het beste VWO-profielwerkstuk. (Wikipedia, 2016).

Je vraagt je misschien af; is dat wel goed, een kind zo vroeg naar de middelbare school? Krijgen ze geen sociale- en emotionele problemen? In dit blog antwoord op vragen als; wat is hoogbegaafdheid en waar doe je nu goed aan qua onderwijs? Versneld of via een onderwijsvorm speciaal voor hoogbegaafden?

 

wil je meer lezen en de antwoorden krijgen op bovenstaande vragen, klik dan snel hier verder naar mijn hele blog.

Reageer»

Het aftellen naar publicatie van de DSM-5 is begonnen

Moniek Coorn-Baaij : 19 augustus 2012 14:20 : Algemeen, Artikelen, Hulpverleners

In mei 2013 moet de DSM-5 dan eindelijk gaan komen. Er is inmiddels al een heleboel om te doen geweest te zijn. Psychiaters, psychologen en onderzoekers wedijveren om de concepten zoals ze opgenomen gaan worden in de DSM-5. Voor een eigen case studie merkte ik al dat het heel belangrijk is dat de concepten kloppen. Na 30 jaar worden nu alle psychiatrische stoornissen onder de loep genomen. Er wordt kritisch gekeken of criteria nog wel kloppen. Zo gaat PTSS veranderen, omdat er nu veel PTSS diagnoses worden gesteld bij mensen die zelf geen trauma gezien hebben of meegemaakt hebben. Dat kan straks niet meer. Ook gaan alle verschillende soorten autisme eruit en worden de criteria strenger. Over het algemeen zullen de criteria dus strakker en strenger worden, zodat er betere diagnostiek bedreven kan worden. Tenminste, dat is het uitgangspunt. In de praktijk moet de DSM-5 zich nog moeten gaan bewijzen. Persoonlijk vind ik het erg sterk dat de DSM met zijn tijd meegaat. De APA wil er naar gaan streven dat het nieuwe handboek zowel in gedrukte vorm als in een digitale vorm gepubliceerd wordt. Dit digitale document kan regelmatig geüpdate worden tot versie 5.1 of 5.2. Dit is ook de reden dat de DSM-5 gekozen heeft voor Arabische cijfers in plaats van Romeinse cijfers. APA nodigt hierbmee psychiaters ook uit om meer gedetailleerde informatie te verzamelen over symptomen van een een patiënt. Als een psychiater over meer data beschikt die hij bij zijn beoordeling kan betrekken en de beschrijvingen in het handboek uitgebreider zijn is er een grotere kans dat hij een correcte match vindt tussen een patiënt en een aandoening, aldus de samenstellers.

Er zullen nog twee grote veranderingen plaatsvinden. De eerste is er eentje met een arbitrair karakter. Met de DSM-5 zal men ook de ernst moeten inschatten van de symptomen. Bij ADHD moet de aandachtsproblemen op een aparte schaal gescoord moeten worden van ‘zeer slecht’ tot ‘uitstekend’. Hiermee worden psychiatrische diagnoses dus meer op een dimensie geplaatst in plaats. Het arbitraire zit hem volgens artsen in het feit dat de verschillende vormen van autisme nu binnen een verzamelcategorie worden geplaatst en daarbinnen dus de ernst. Men zou – ten onrechte – de illusie kunnen wekken dat Stoornis van Asperger minder ernstig is dan een Autistische Stoornis, omdat mensen met Stoornis van Asperger doorgaans betere ontwikkelingskansen heeft. Hiermee vergeet men wel hun handicap. Ten tweede vrezen artsen dat zorgverzekeraars minder behandelingen gaan vergoeden en dat de zorgverzekeraars eisen gaan stellen aan bepaalde criteria van ernst.
Een tweede grote verandering is dat de DSM-5 stoornissen anders gaat clusteren dan in de DSM-IV. In de DSM-IV werden stoornissen geclusterd in drie categorieen, namelijk:

  1. klinische ziekten, zoals depressie, bipolaire stoornissen en schizofrenie
  2. persoonlijkheids- en ontwikkelingsstoornissen
  3. medische problemen die een rol kunnen spelen.

In de DSM-5 wordt deze indeling afgeschaft en worden stoornissen chronologisch geordend. Allereerst zullen aandoeningen bij baby’s en jonge kinderen beschreven, vervolgens gaat dit door via de adolescentie naar stoornissen die vaker bij volwassenen voorkomen. Zo kan men zich dus beperken tot bepaalde delen van de DSM-5.

Tot slot moet men er wel rekening mee blijven houden dat de DSM geen volmaakte weerspiegeling biedt van psychische kwalen, maar met de herziene editie wordt het beeld weer een beetje helderder en daarmee ook het begrip van de menselijke psyche.

Reageer»

WAIS-IV NL komt naar Nederland

Moniek Coorn-Baaij : 15 maart 2012 19:59 : Artikelen, Intelligentie, Onderzoeksmateriaal

Vanaf de zomer 2012 zal Pearson de WAIS-IV NL uitbrengen. Er zijn enkele subtesten toegevoegd en er zijn ook enkele zaken veranderd in de factor en index-structuur. De WAIS-IV NL heeft als doel om de algemene intelligentie te meten van adolescenten en volwassenen. De WAIS-IV NL zal bestaan uit 15 subtesten die uiteindelijk de factoren Verbaal Begrip, Perceptueel Redeneren, Werkgeheugen en Verwerkingssnelheid.  Het Verbaal Intelligentie Quotient (VIQ) en Performaal Intelligentie Quotient (PIQ) zijn komen ter vervallen. Er zijn enkele nieuwe subtests om het meten van ‘fluid reasoning, werkgeheugen en verwerkingssnelheid te verbeteren.

Verbaal Begrip Index
Het Verbaal Begrip bestaat uit de subtesten:

  • Overeenkomsten
  • Woordenschat
  • Informatie
  • (Begrijpen) – deze subtest is optioneel

Perceptueel Redeneren Index
Perceptueel Redeneren bestaat uit de volgende subtests:

  • Blokpatronen
  • Matrix Redeneren
  • Figuur Samenstellen*
  • (Gewichten*) – deze subtest is optioneel
  • (Onvolledige Tekeningen) – deze subtest is optioneel

Werkgeheugen Index
Het Werkgeheugen bestaat uit de volgende subtesten:

  • Cijferreeksen
  • Rekenen
  • (Cijfers en Letters nazeggen) – deze subtest is optioneel

Verwerkingssnelheid Index
De Verwerkingssnelheid bestaat uit de volgende subtesten:

  • Symbool Zoeken
  • Symbool Substitutie Coderen
  • (Figuur Zoeken*) – deze subtest is optioneel.

 

De subtesten waar een * achterstaan zijn nieuwe subtesten.

Figuur samenstellen:
Dit is een visuele versie van de subtest Figuur Leggen. De cliënt ziet een volledige puzzel en selecteert uit zes mogelijkheden drie antwoordmogelijkheden waarmee, wanneer deze gecombineerd worden, de puzzel kan worden nagemaakt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewichten: Bij dit onderdeel wordt er gewerkt binnen een specifieke tijdslimiet, waarin de cliënt een afbeelding ziet met een ontbrekend gewicht of ontbrekende gewichten. De cliënt moet de antwoordmogelijkheid selecteren die de schaal in balans houdt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur Zoeken: Ook bij deze subtest wordt er binnen een specifieke tijdslimiet gewerkt, waarin de cliënt een aantal vormen in een bepaalde opstelling bekijkt en doelvormen markeert.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tot slot heeft de WAIS-IV NL ook de mogelijkheid om processcores te berekenen. Deze zijn ontworpen om meer gedetailleerde informatie te verkrijgen over de cognitieve vaardigheden die bijdragen aan de prestaties op een subtest. Bij Blokpatronen wordt een processcore berekend door de prestaties zonder extra tijdsbnonuspunten te berekenen. Ook bij Cijfers en Letters Nazeggen wordt een processcore berekend. Dit is het aantal cijfers en letters dat de clieënt zich herinnert van de laatste correct uitgevoerde reeks.

Bij het onderdeel Cijferreeksen worden maar liefst zes processcores berekend. Er zijn drie processcores die de prestaties van een cliënt op de drie Cijferreeks-taken vertegenwoordigt. Daarnaast zijn er drie processcores die het aantal cijfers dat de cliënt zich herinnert van de laatste correct uitgevoerde reeks op Cijferreeksen Voorwaarts, Achterwaarts en Sorteren vertegenwoordigt.

Tot slot houdt de WAIS-III NL meer rekening met mensen met specifieke problemen, zoals gezichtsproblemen, gehoorproblemen en reactiesnelheid bij ouderen. Daarnaast zijn de psychometrische eigenschappen verbeterd en is de afnameduur van de kernbatterij verkort door betere afbreekregels. Ook zijn er nieuwe normen, uitgebreidere TIQ ranges, verbeterde factorscores en verminderde vloer- en plafondeffecten.

4 reacties »

Lettertype Dyslexie: lettertype biedt uitkomst voor dyslectische kinderen

Moniek Coorn-Baaij : 10 december 2011 12:59 : Artikelen, Hulpverleners, Leerstoornis, Ouders en andere geinteresseerden

Al jaren wordt er onderzoek gedaan naar leesstoornissen en welke interventies er wel en niet werken. Recent is er een nieuw lettertype ‘Dyslexie’ genaamd, die dyslectische mensen moet helpen bij het lezen. Het lettertype is ontworpen door Christiaan Boer die zelf dyslectisch is.

Dyslexie kenmerkt zich in problemen met het lezen en schrijven. Men heeft moeite om het verschil te horen tussen klanken als m en n; p, t en k; s, f en g; eu, u en ui. Ook worden klanken vaak verwisseld, zoals  ‘dorp’ en ‘drop’ of ’12’ en ’21’, het zogeheten spiegelen. Tevens gaat het inprenten van reeksen, bijvoorbeeld tafels of spellingsregels. Bij het lezen valt op dat sommige kinderen heel traag lezen en andere weer heel snel, maar dan wel met relatief veel fouten. Bij het schrijven valt vaak het onleesbare handschrift op en bij spelling heeft men moeite om de spellingsregels goed toe te passen (Steunpunt dyslexie).

Wanneer dyslecten teksten lezen, zakt de moed hun vaak in de schoenen vanwege de grote tekstblokken. De regels zijn vaak lang, waardoor kinderen ‘verdwalen’ in de tekst of overzicht kwijt raken op de pagina. Tevens zijn veel teksten uitgevuld op de pagina, waardoor alle regels op elkaar lijken en een dyslect dus geen herkenningspunten meer heeft  (www.studiostudio.nl). Dit heeft Christiaan Boer er toe gedreven om verder na te denken over hoe dit probleem aangepakt kan worden.

De grootste verschillen tussen traditionele lettertypes en het lettertype Dyslexie is dat het zwaartepunt van de letter laag ligt, waardoor de kletter niet snel ondersteboven gedraaid zal worden. Daarnaast zijn de openingen van de letters groter, waardoor de vorm van de letters verduidelijkt worden en ze zo minder op elkaar lijken. Ook de hoogte van sommige letters is vergroot, zodat ze minder op elkaar letten. Sommige letters zijn iets schuin gezet op basis van de geschreven letters. Ook hierdoor worden de verschillen ten opzichte van elkaar groter. Ook letters die veel op elkaar lijken zijn ten opzichte van elkaar veranderd door bijvoorbeeld een langere stok of staart te krijgen. Door de verschillende hoogtes van letters, krijgt elke letters zijn eigen karakter waardoor ze minder op elkaar lijken. Ook de ruimte tussen letters en woorden is groter zodat ze de ruimte hebben (www.lexima.nl). Door hier te klikken kan men enkele voorbeelden zijn van het lettertype.

Dyslexie
Andere algemene tips die goed werken voor kinderen met dyslexie is om een stuk tekst op te delen in meerdere alinea’s en de tekstkolommen niet breder te maken dan 6 à 9 woorden. Het opdelen in kolommen met genoeg ruimte tussen de kolommen kan dus ook helpen. In plaats van tekst uitvullen is het wenselijk om de tekst links uit te lijnen (studio studio).

De universiteit van Twente heeft in 2010 onderzoek gedaan of dit lettertype inderdaad dyslectische kinderen helpt bij het lezen. Er hebben 21 dyslecten  en 22 normaal lezende studenten deelgenomen aan het onderzoek. Ze hebben de Een-Minuut-Test en de Klepel twee keer gelezen. Eén keer in het lettertype Arial en één keer in het lettertype Dyslexie. Hypothesen in dit onderzoek waren:

1) de leessnelheid bij dyslecten zal toenemen
2) de accuratesse bij dyslecten neemt toe
3) de leessnelheid van niet-dyslecten neemt toe
4) de attitude van de deelnemers naar het lettertype dyslexie is positief.

De resultaten op basis van dit onderzoek leverde geen significant verschillen op voor de leessnelheid, maar er waren wel enkele positieve en negatieve effecten gevonden voor de accuratesse. Enkele specifieke leesfouten verminderen, terwijl andere toenemen. Over het algemeen werden er bij de groep dyslecten minder fouten gemaakt wanneer er werd gelezen met het lettertype Dyslexie. Wat betreft de attitude blijkt dat de dyslecten positief zijn over het lettertype. Op de vraag of ze het ook wilde gaan gebruiken werd ongeveer even vaak positief als negatief gereageerd. Mogelijk speelt hierbij een rol dat anderen dit lettertype niet gebruiken of niet mogen (Leeuwen, 2010).

Concluderend, dit nieuwe lettertype kan dus uitkomst bieden. Er moet nog een PR-offensief komen, zodat dyslecten ook daadwerkelijk dit lettertype gaan hanteren. Via Studio Studio is het lettertype te bestellen.

 

Reageer»

Psychische hulp aan kinderen van gescheiden ouders

Moniek Coorn-Baaij : 3 oktober 2011 22:04 : Artikelen, Hulpverleners, Ouders en andere geinteresseerden

Op 18 maart 2011 besteedde de Ombudsman op Nederland 3 aandacht aan dit thema. Uit onderzoek van het CBS blijkt namelijk dat jaarlijks zo’n 33.000 kinderen te maken krijgen met echtscheiding. Wanneer het kind dan medische of psychische hulp nodig heeft, moeten beide gezaghebbende ouders toestemming geven voor de behandeling. Doen zij dat niet, dan krijgen zij geen hulp. In de uitzending van 18 maart gaat de Ombudsman in gesprek met een moeder waarvan haar zoon begeleiding nodig had wat de vader van de jongen weigerde. Uiteindelijk, door bemiddeling van de Ombudsman, gingen ouders weer in gesprek met elkaar (Vara, 2011). Ook familierecht advocate Boonder ziet regelmatig gebeuren dat vaders psychische hulp minder nodig achten dan moeders en daardoor geen toestemming geven. Behandeling is dan wettelijk onmogelijk (Metro, 2011). Enige uitzondering is dat de behandelaar aangeeft dat behandeling noodzakelijk is. Hiervoor moet de behandelaar wel echt kind gezien hebben en dat mag juist niet. Tevens geeft Mw. Boonder aan dat hiermee de verantwoordelijkheid bij de zorgverlener ligt, die het risico loopt op een klacht bij de tuchtcommissie (Metro, 2011).

Get Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.

Echtscheidingsproblemen
Helaas komen kinderen van gescheiden ouder twee keer vaker in psychische problemen dan andere kinderen. Angst, agressie en depressie zouden vaker voorkomen bij deze kinderen (Metro, 2011). Uit onderzoek (Wood, Repetti, & Roesch, 2004) blijkt inderdaad dat zowel externaliserende problemen als internaliserende problemen bij kinderen van gescheiden ouders meer aanwezig zijn. Tevens leidt scheiding vaker tot ouder-kind-relatieproblemen. Ook is de kans groter dat er niet alleen (gedrags)problemen zijn vlak na de scheiding, d.w.z. als aanpassingsproces, maar ook in de toekomst. De psychosociale omstandigheden blijken een grote mediërende rol te spelen in het instandhouden van de problemen. De onderzoekers geven aan dat emotionele aanpassing van ouders en gedrag van ouders zijn eveneens mediërende factoren. Wanneer ouders dus scheiden is het goed denkbaar dat alleen de scheiding al genoeg veroorzaakt waarvoor behandeling wenselijk en misschien zelfs noodzakelijk is.

Aanpassing wet?
De ethische beroepscode van het Nederlands Instituut voor Psychologen staat dat bij onderzoek en behandeling van minderjarigen, d.w.z. jongeren jonger dan 16 jaar, beide gezaghebbende ouders toestemming moeten geven (NIP, 2007). Men is niet verplicht om de toestemming schriftelijk te ontvangen. Mondelinge toestemming mét een duidelijke aantekening hiervan in het dossier van het kind is voldoende. Wanneer men twijfelt of de toestemming een vast gegeven is, mag men natuurlijk altijd een ondertekende toestemmingsverklaring vragen.

Op 16 mei heeft de Tweede Kamer vragen gesteld omtrent de toestemming van ouders. De minister, Mw. Veldhuijzen van Zanten, heeft deze vragen beantwoord. De minister geeft aan dat kinderen niet van noodzakelijke behandeling onthouden mag worden. Volgens de minister biedt de huidige wetgeving voldoende mogelijkheden, ook bij conflicten. De minister refereert naar de Wgbo waarin staat dat kinderen bij ingrijpende gebeurtenissen geen toestemming nodig hebben van beide ouders. Of een behandeling ingrijpend is hangt af van de aard van de gevolgen van de behandeling. Wanneer een behandeling wel ingrijpend van aard is, moet er onderscheidt gemaakt worden tussen drie leeftijdscategorieën:

  1. Kinderen jonger dan 12 jaar
  2. Kinderen van 12 tot en met 15 jaar
  3. Kinderen vanaf 16 jaar

Bij  de eerste groep moeten beide ouders ingrijpen. Wanner er geen tijd is om toestemming te vragen kan de behandeling gestart worden om ernstig nadeel te voorkomen. Dit geldt ook voor gezondheidszorgpsychologen.
Bij de tweede groep is het uitgangspunt dat zowel ouders als kind instemmen. Wanneer de behandeling de wens van het kind is, kan het kind behandeld worden. De mening van het kind is dus doorslaggevend.
Bij de laatste groep mogen de kinderen zelf beslissen of ze behandeling willen. Toestemming van de ouders is niet nodig.
Al met al wil de minister benadrukken dat het geen tostemming krijgen nooit er toe mag leiden dat een hulpverlener moet handelen in strijd met de zorg van een goede hulpverlener. Immers, goed hulpverlenerschap gaat over welke zorg een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben getracht (Ministerie VWS, 2011).
De minister heeft hiermee dus wel oog voor de lastige dilemma’s rondom dit thema, maar zij vindt de huidige wetgeving hierin duidelijk en ruim genoeg. Jeugdzorg Nederland is het hier niet geheel mee eens. Zij zouden wel graag aanpassing van de wet zien (Vara, 2011)

Tuchtcommissie
En misschien heeft de minister heir ook wel gelijk in. Op 24 mei 2011 heeft de tuchtcommissie uitspraak gedaan dat een arts er van uit mag gaan dat e ouder die het kind begeleidt tevens de andere ouder vertegenwoordigt. En als ouders een verschillende mening hebben, mag een arts toch handelen. De tuchtcommissie deed deze uitspraak in een zaak die een gescheiden vader tegen de huisarts had aangespannen. De vader wilde dat zijn kind door een andere huisarts werd behandeld, waar hij het kind ook bij had ingeschreven, De moeder ging toch naar de aangeklaagde huisarts die het kind ook behandelde. Volgens de tuchtcommissie stelde de vader het belang van het kind niet voorop. Het ging hier echter wel om een niet-ingrijpende behandeling. Bij een ingrijpende behandeling had de uitspraak anders kunnen zijn (Artsennet, 2011).

Tot slot:
Hoewel er een heldere omschrijving in de Wgbo staat hoe er bij behandeling van kinderen ven gescheiden ouders gehandeld moet worden en de minister de wetgeving momenteel ook ruim genoeg vindt, levert het in de praktijk nog veel gedoe op. Veel hulpverleners zijn huiverig en bang voor een klacht bij de tuchtcommissie. Het is natuurlijk erg fijn dat er recent uitspraken zijn gedaan waarin de tuchtcommissie duidelijk het belang van het kind voorop stelt. Desalniettemin zijn dit ingrijpende gebeurtenissen. Geen enkele hulpverlener wil met de tuchtcommissie in aanraking komen.

 

Bronnen:

  • Artsennet (17-6-2011), Centraal Tuchtcollege: toestemming beide ouders voor behandeling niet altijd nodig, op
  • Metro Nieuws (19-5-2011), Scheidende vader hindert hulp aan kind.
  • Ministerie VWS (2011), Kamervragen over de hulp aan kinderen van gescheiden ouders.
  • Nederlands Instituut voor Psychologen (2007), Beroepscode (2007).
  • Vara (2011), Afl.10 Gescheiden ouders.
  • Wood, J.J., Repetti, R.L., & Roesch, S.C. (2004), Divorce and children’s adjustment problems at home and school: Depressive/withdrwan parenting. In: Child Psychiatry and Human Development,Vol. 35(2).
Reageer»

Het wachten op de WISC-V

Moniek Coorn-Baaij : 8 september 2011 16:19 : Artikelen, Onderzoeksmateriaal

Na meerdere publicaties op mijn site over de WISC-IV kreeg ik veel vragen  wanneer deze zou komen in Nederland. Na telefonisch contact met testuitgever Pearson werd duidelijk dat de WISC-IV niet in Nederland zou verschijnen, omdat deze erg op de WISC-III zou lijken. Pearson is nu nauw betrokken bij de ontwikkeling van de WISC-V. Na mailcontact met Pearson over release datum van de WISC-V in Nederland, kon mij weinig verteld worden. Ze weten nog niet wanneer deze in Nederland komt of hoe lang dit nog gaat duren. Enigszins teleurstellend konden zij mij dus nog niks vertellen over de WISC-V. Heel erg jammer, maar ik blijf het in de gaten houden. Tot die tijd moet dus gewoon de WISC-III NL gebruikt worden.

6 reacties »

Maken van een mindmap, nu nog eenvoudiger!

Moniek Coorn-Baaij : 22 juli 2011 13:39 : Algemeen, Artikelen, Hulpverleners, Ouders en andere geinteresseerden

Al enige tijd ben ik geïnteresseerd in Mindmaps. Veel kinderen die ik begeleid vanuit de GGz vertellen mij dat ze van o.a. studiecoaches steeds vaker leren hoe je een mindmap kan maken. Op internet kun je veel methoden vinden, maar onlangs ben ik in contact gekomen met Maaike de Haan. Zij is kindercoach en gespecialiseerd in beelddenken en hoogbegaafdheid. Dit zijn termen die men steeds vaker gebruikt. De meningen zijn verdeeld of dit wel “labeltjes” zijn of niet.

Mijn interesse heeft het inmiddels gewekt en Maaike de Haan legt ook mooi uit dat mensen alleen hun linkerkant gebruiken wanneer je huiswerk maakt, planning maakt of notities maakt. Dit komt doordat in dit gedeelte o.a. logica, orde & patronen, woorden, theorie en kennis gelokaliseerd zijn. De rechterhersenhelft wordt veel meer gebruikt bij gevoel, verbeelding, beelden, ervaring en praktijk. Eigenlijk gebruiken mensen dus maar één hersenhelft. Het maken van een mindmap, of een overzicht tekening (zoals Maaike de Haan het noemt), kan helpen om beide hersenhelften te gebruiken. Een groot voordeel hiervan is dat je dingen beter kan herinneren, beter ideeën kan bedenken, je tijd nuttiger gebruikt, tijd besparing, je betere aantekeningen maakt en daardoor betere prestaties behaalt (De Haan, 2011).

Een programma dat kan helpen bij het maken van mindmaps is iMindMap van ThinkBuzan. Als proef op de som heb ik het programma gedownload. De trial en basisversie zijn gratis. Het is een fijn programma en voor kinderen heel leuk. Het ziet er aantrekkelijk uit en de bediening is heel simpel.
Er zijn meerdere programma’s beschikbaar. Via deze link vindt men een overzicht met meerdere programma’s.

1 reactie »

Kan de jeugdzorg en het jeugdbeleid beter? Een interview met rechter Salomon

Moniek Coorn-Baaij : 3 juni 2011 22:48 : Algemeen, Artikelen, Hulpverleners, Ouders en andere geinteresseerden

Op 7 maart jongstleden zond de NRCV een documentaire uit over kinderrechters. De filmmakers, Meral Uslu en Maria Mok filmde een zestal Nederlandse kinderrechters en hun jeugdige cliënten. De filmmakers kregen een unieke toestemming om te filmen achter de schermen van kinderrechtzittingen. Een van de kinderrechters die gefilmd werd tijdens zijn werk is rechter Salomon. Tijdens de documentaire was ik gecharmeerd van de werkwijze van deze rechter. Hij behandelt de jongeren met veel respect en stelt zich meewerkend op. Daarnaast geeft de heer Salomon tijdens de documentaire aan tegen problemen met jeugdzorg aan te lopen. Ook ik merk in mijn dagelijkse praktijk dat ik tegen het systeem aanloop. Dit heeft mij aan het denken gezet: Hoe kan het beter? Hoe kijken belangrijke sleutelfiguren rondom jeugdzorg hier tegen aan? In dit kader kwam ik op het idee om verschillende professionals te interviewen. Te beginnen met rechter Salomon. Op 19 mei bezocht ik de rechtbank van Amsterdam en sprak daar met hem.

Tijdens de documentaire vertelt u dat u stopt als kinderrechter. Hoe lang bent u kinderrechter geweest en kunt u wat vertellen over de werkzaamheden van een kinderrechter?
Ik ben 10 maanden kinderrechter geweest. Als rechter moet je gevraagd worden om kinderrechter te worden. Het jeugdrecht is een specialisme. Omdat er veel cursussen geregeld worden, zijn rechters doorgaans minstens 3 jaar kinderrechter. Zelf ben ik er mee gestopt, omdat ik me bezwaard voelde door de werkwijze van jeugdzorg.

Kunt u uw bezwaren toelichten?
Binnen het jeugdrecht zijn er twee kanten. Enerzijds is er het civiel rechterlijk gedeelte, anderzijds is er het strafrechtelijke gedeelte. Bij civiel rechtelijke zaken gaat het om beoordeling van verzoeken van de raad van de kinderbescherming en gezinsvoogden. Je moet dan denken aan OTS, uithuisplaatsing of gesloten jeugdzorg. Het lastige in deze zaken is dat er vaak geen uitvoering gegeven kan worden aan de opgelegde maatregel. Er zijn bijvoorbeeld geen gezinsvoogden beschikbaar of er zijn te weinig plekken waar het kind heen kan. Daarnaast ben ik van mening dat kinderen veel te vaak in aanraking komen met het strafrecht.

Wat heeft u er toe bewogen om kinderrechter te worden?
Allereerst was er een vacature. Ten tweede is deze materie ook erg interessant. Er is een team met medewerkers die erg betrokken zijn. Als rechter moet je wel ‘feeling’ hebben met deze groep. Tevens is ervaring als rechter belangrijk. Zoals ik al aangaf, trok het mij wel om met het jeugdrecht aan de gang te gaan, maar het strafrechtelijke gedeelte stond mij tegen. Mijns inziens kan een dergelijke strafrechtelijke procedure soms zelfs een averechts effect hebben. Bijvoorbeeld wanneer iemand wegens een fikse ruzie met vechtpartij op school in aanraking komt met de politie. Inmiddels is de situatie voor alle partijen goed opgelost, maar na negen maanden moet degene die de vechtpartij begon nog voorkomen wegens mishandeling. Sowieso wordt er in Nederland heel veel gestraft. Het is jammer dat de publieke opinie niet ziet. dat opvoeding en/of behandeling soms meer effect hebben dan bestraffing.

Wat was u visie als kinderrechter?
Wat ik belangrijk vind is dat je als rechter je plaats weet. Vroeger kon een rechter veel meer beslissingen nemen dan nu. Nu vraagt men meer van deskundigen, ook wat betreft beslissingen. Als rechter moet je niet op de stoel van anderen zitten. Tijdens het proces staan de belangen van het kind centraal.

Welke momenten zijn u het meest bijgebleven?
Ik heb jongeren gezien met enorme problematiek, zelfs meer dan de jongeren uit de documentaire. Tevens kunnen kinderen en jongeren al goed vertellen ondanks hun stoornis. Daarnaast hebben ze vaak ook nog begrip voor de maatregel. Dit heeft zeker indruk op mij gemaakt.

Heeft u veel met agressie te maken gehad?
Eigenlijk nauwelijks van de jongeren zelf. Ik kan me nog een keer herinneren, maar deze jongeren zat erg in de knoop met zichzelf. Vooral de moeders zijn boos. Soms hoorde ik ze al op de gang tekeer gaan. Er heerst toch veel wantrouwen bij ouders. Tevens zijn de ouders die bij de kinderrechter komen voornamelijk de ouders die géén hulp willen. Daarnaast speelt mee dat het in sommige culturen als schande wordt bevonden. Dit is met name in de Marokkaanse gemeenschap zo.

Hoe kijkt u tegen de samenwerking van instanties aan?
Dit moet ook beter, vaak is er geen samenwerking. Instanties zijn nu erg intern gericht. Medewerkers zijn er met name op gericht om productie te behalen en de baas tevreden te stemmen. De instanties zijn vooral gericht op het goed functioneren van de eigen organisatie. Ik denk dat medewerkers heel goed hun werkdruk moeten benoemen. Bijvoorbeeld: een gezinsvoogd die 36 uur werkt en 22 casussen heeft, kan niet de aandacht aan de gezinnen schenken die nodig is.
Ik heb meegemaakt dat er een zitting was waarbij OTS werd uitgesproken en dus een gezinsvoogd moest komen. Er was dan bij de zitting een medewerker van jeugdzorg aanwezig, maar die bleek later vaak niet de voogd te gaan worden. Erg onhandig, omdat het natuurlijk gemakkelijker gaat als men na de zitting meteen afspraken kan maken met elkaar.

En specifiek met de GGz?
Op de zitting zijn de voornaamste gesprekspartners de Raad van de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg. Vaak zit er wel een rapportage van de GGz of een gedragsdeskundige in het dossier. Een hele enkele keer wordt een gedragsdeskundige gehoord. Dit is met name bij de PIJ-maatregelen. Ik vraag me wel eens af of deskundigen niet op de zitting moeten zijn. In andere landen zie je dit veel meer, zoals in Amerika met het onmiddelijkheidsbeginsel. Daar is bijvoorbeeld een lijkschouwer aanwezig als bewijs dat iemand ook echt dood is. Dit vraagt wel meer tijd van de rechters, maar ook van de gedragsdeskundige. Hier lijdt dan vaak de productie weer onder. Ook rechters moeten productie halen.

U geeft aan tegen problemen aangelopen te zijn. Wat moet er uw inziens veranderen?
Er moet veel meer onderkenning komen van de groei en de ontwikkeling van kinderen. Het vormen van de gewetensfunctie van kinderen kost nu eenmaal tijd. Daarnaast moet de publieke opinie veranderen. Dit is ook een taak voor de politiek, maar ook voor deskundigen die er meer over bekend moeten maken en er meer over moeten schrijven. Er moet een tegengeluid komen. Daar komt nog bij dat er bezuinigingen aankomen. In heel Nederland moet bezuinigd worden dus ook in de jeugdzorg. We moeten met z’n allen wel het belang onder ogen blijven zien. Ik ben van mening dat we problemen beter bij het begin kunnen aanpakken.

En in het jeugdrecht?
Er moet meer onderscheid gaan komen in zware en lichte vergrijpen. Tevens moeten we gaan onderkennen dat jeugdcriminaliteit soms toeneemt. Hier moet uiteraard wel opgetreden gaan worden. Vroeger kreeg een kind een preek op het politiebureau en werd de moeder later aangesproken op haar verantwoordelijkheid. Nu wil men gezag uitstralen. Vaak doen kinderen dingen deels vanuit kattenkwaad. Als rechter moet je wel begrip blijven houden voor de achtergrond van een kind. Men moet wel in de gaten blijven houden of dingen niet uit de hand lopen. Dit zeggende, is het veranderen van het gehele jeugdzorgstelsel niet eenvoudig. Er zal geen pasklare oplossing zijn.

 

1 reactie »

Passend onderwijs: haalbaar?

Moniek Coorn-Baaij : 21 april 2011 14:38 : Algemeen, Artikelen, Hulpverleners, Ouders en andere geinteresseerden, Probleemgebieden

Na al enkele keren bericht te hebben over de plannen van het kabinet voorpassend onderwijs en de ophef die deze plannen veroorzaken, nu maar weer eens een bericht met de huidige stand van zaken.

Waar gaat het nu allemaal om? Eind januari 2011 werd bekend dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een structurele bezuiniging van 300 miljoen moeten doen. Een start zou al in 2012 gemaakt moeten worden door 50 miljoen te bezuinigen. Deze bezuiniging is nu uitgesteld. De minister en de staatssecretaris willen eerst meer draagvlak creëren alvorens ze hun plannen door de tweede en eerste kamer heen loodsen. Nu is het de bedoeling dat in 2013 100 miljoen bezuinigen oplopen naar 200 miljoen vanaf 2015 (www.psynip.nl, dd 19-04-2011).
Concreet omvat de bezuiniging 3 uitgangspunten:
1. Bezuinigingen op bureaucrat9ie, projecten en aanvullende bekostiging (o.a. door het afschaffen van de REC’s en afschaffen bekostiging steunpunten autisme)
2. Minder uitgeven aan ambulante begeleiding
3. Besparen door grotere klassen in het (voortgezet) speciaal onderwijs.
Om dit tot een goed einde te brengen moeten het onderwijs en de zorg, welke door de gemeenten straks beheerd worden, beter gaan samenwerken (nieuwsbrief NJI, dd maart 2011).

Op papier klinkt dit enigszins acceptabel en wanneer je niet werkt in deze sector of kinderen hebt die onderwijs volgen, kun je je misschien wel achter deze bezuinigen scharen. Echter, wanneer je praat met mensen uit dit vakgebied, of ouders spreekt die zich nu al zorgen maken over de grootte van de klassen en over de leerkrachten die moeite hebben met zorgleerlingen, kom je tot een geheel andere conclusie. Wanneer ik de discussie aanga met onderwijzers van vroeger (jaren ’60, ’70, ’80), dan krijg ik te horen dat leerkrachten nu niet meer boven de groep staan. Wanneer ik kritisch doorvraag hoe zij zouden omgaan met “probleem-leerlingen”, de zogeheten Rugzak-kinderen, dan geeft men aan dat deze kinderen helemaal niet in het regulier onderwijs moeten zitten. Oftewel: de plannen van Weer Samen Naar School van een aantal jaar geleden zijn niet goed. Ook familieleden geven aan dat vroeger de klassen veel groter waren, dus waar maak ik me dan druk om? Zij zijn toch ook goed terecht gekomen?

Deze discussiepunten meegenomen, ga ik ’s maandags weer aan het werk als kinder- en jeugdpsycholoog. Ik zie verschillende clientjes die het toch moeilijk hebben in het onderwijssysteem zoals we dit nu kennen. De klassen zijn te groot, de leerkrachten zijn nu vaak duo-banen en beide leerkrachten zitten niet op één lijn wat betreft aanpak, overspannen leerkrachten in het speciaal onderwijs, etcetera. En tegelijkertijd zie ik een verdrietig kind dat niet naar school wil, klaagt over hoofd- en buikpijn en blij is dat ik hem of haar wel begrijp. Met de voorgenomen plannen zie ik het alleen naar somberder in voor deze kinderen. Volgens mij kan het nooit de bedoeling zijn om het naar school gaan van kinderen vervelender te maken. Aan de andere kant zitten natuurlijk de leerkrachten die zich ook al ernstig zorgen beginnen te maken hoe zij – binnen hun eigen mogelijkheden – nog les kunnen geven wanneer er zoveel bezuinigd wordt.

Hopelijk gaat dit huidig kabinet inzien dat je niet zomaar kan bezuinigen.
Wordt vervolgd…….

Reageer»

Hoe overleef ik … mijn ADHD?

Moniek Coorn-Baaij : 7 april 2011 15:40 : ADHD, Artikelen, Hulpverleners, Ouders en andere geinteresseerden

Er is de laatste jaren steeds meer bekend geworden over ADHD. Wanneer kinderen de diagnose krijgen, wordt er gemengd op gereageerd. Het ene kid is blij dat hij of zij eindelijk de erkenning krijgt dat het kind er soms niets aan kan doen. Weer andere kinderen voelen zich in een hokje geplaatst en vinden het erg vervelend dat ze de diagnose hebben gekregen. Vaak bestaat de behandeling uit medicatie, ouderbegeleiding en begeleiding van het kind.

Voor ouders is het belangrijk dat zij veel structuur bieden in de omgeving van hun kind. Daarnaast zijn kinderen met ADHD vaak snel boos of impulsief. Als ouder is het belangrijk om te weten wat de boosheid kan triggeren zodat je als ouder de boosheid voor kan zijn of al in een vroeg stadium kan beteugelen. Daarnaast werkt een time-out goed als een kind echt boos is. Je hoeft de time-out niet als straf te zien, maar een methode waarvan het kind kan leren hoe hij of zij zichzelf uit een negatieve situatie kan halen. Het geven van keuzes helpt om het kind een gevoel van controle te geven. Daarnaast is voldoende slaap heel belangrijk. Het lastige met het slaapwaakritme van kinderen met ADHD is dat hun lichaam soms beperkt Melatonine aanmaakt. Melatonine maakt mensen slaperig. Hierdoor slapen kinderen met ADHD vaak wat later in. Tot slot: beperk de game-tijd, laat je kind veel buitenspelen en zijn energie op een goede manier uiten. Het allerbelangrijkste is dat je als ouder een goed rolmodel moet zijn voor je kind hoe je met bepaalde gevoelens om moet gaan.

Veel kinderen met ADHD krijgen ook medicatie naast hun eigen behandeling. Behandeling van ADHD bestaat altijd uit goede psycho-educatie. Daarnaast kan er, afhankelijk waar het kind de meeste moeite mee heeft, ook therapie zijn voor bijvoorbeeld het aanleren van planningsvaardigheden en sociale vaardigheden.
Vaak kan de medicatie een extra gunstig effect hebben op de begeleiding van kinderen. Daarnaast kan het gunstig werken voor het zelfvertrouwen van kinderen, omdat de medicatie hen helpt.

Toch zijn er veel mensen nog sceptisch ten opzichte van medicatie. Deels terecht, omdat medicatie een niet-lichaamseigen stof bevat. Ook heeft de medicatie enkele bijwerkingen die niet helemaal prettig zijn zoals een minder levendig gevoel en minder eetlust. Dit komt, omdat de methylphenidaat een remmende werking heeft op de hersens van een kind met ADHD. Hierdoor kan een kind beter focussen en is het kind minder hyperactief-impulsief zodat het minder negatief gedrag laat zien en minder negatieve reacties van zijn omgeving krijgt.
Dit klinkt logisch, maar vaak kan men zich hier moeilijk een beeld bij vormen, zeker als men zelf geen ADHD heeft. De EO heeft speciaal voor kinderen en jongeren een serie gemaakt over niet eerder vertelde gebeurtenissen waar kinderen en jongeren tegen aan kunnen lopen. In deze serie genaamd Verborgen Verhalen wordt er ook aandacht besteedt aan ADHD. Hoewel de aflevering nagespeeld is, berust het wel op een waargebeurd verhaal. In deze aflevering wordt mooi in kaart gebracht hoe een keus (wel of geen pillen) kan leiden tot bepaalde consequenties. Ook wordt er goed belicht waarom pubers soms hun pillen niet willen, namelijk dat ze niet levendig zijn. De aflevering kan men hieronder bekijken

Reageer»

Categorieën

Archief